Nationaal goed

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Verkoop van nationale goederen in Pouilly-sur-Meuse

Nationaal goed (Frans: bien national) is de benaming die tijdens de Franse Revolutie werd gegeven aan vastgoed van de geestelijkheid en de adel, dat door de Franse staat werd onteigend en vervolgens ten gunste van de staatskas verkocht. De bedoeling was om zo de financiële crisis te bedwingen en het staatsbankroet af te wenden.

Het was Talleyrand, als bisschop van Autun zelf afgevaardigde van de clerus in de Nationale Grondwetgevende Vergadering, die voorstelde om de goederen van de geestelijkheid aan te slaan. Hij argumenteerde dat deze goederen en de opbrengst er van slechts werden gebruikt om de bedienaars van de eredienst, het onderwijs en de liefdadigheid te onderhouden. Aangezien dit taken waren die voortaan door de Staat zouden worden opgenomen, konden deze goederen worden onteigend; de geestelijkheid zou voor haar prestaties een salaris vanwege de Staat genieten.

Het voorstel om de kerkelijke goederen "ter beschikking van de natie" te stellen, werd goedgekeurd door de Vergadering op 2 november 1789. Hiermee wisselde zowat 10 percent van het grondbezit in Frankrijk van eigenaar. Vanaf maart 1792 werd de maatregel uitgebreid tot de goederen van de, veelal adellijke, politieke vluchtelingen die Frankrijk verlieten en daardoor verdacht werden van samenzwering tegen de Revolutie. Met de afschaffing van de monarchie volgden ook de goederen van de Kroon.

De zo onteigende goederen werden verkocht aan de meestbiedende. Omdat niet alle goederen tegelijk verkocht konden worden, en de Franse Staat toch dringend geld nodig had, werden de assignaten uitgegeven, een vorm van staatsobligaties met de nationale goederen als onderpand.

België[bewerken]

België werd vanaf 1 oktober 1795 formeel door Frankrijk aangehecht, en de revolutionaire wetgeving werd er sindsdien geleidelijk ingevoerd. Met de wet van 15 fructidor IV (1 september 1796) werden de abdijen en kloosters in de negen Belgische departementen opgeheven en hun goederen in beslag genomen. Het Directoire kon het zich echter financieel niet meer veroorloven om salarissen uit te betalen aan de betrokken geestelijken: zij kregen bons waarmee ze enkel nationale goederen in de negen Belgische departementen konden aankopen. Niet alle kloosterordes gingen hier echter op in.

Gevolgen[bewerken]

Vele kerkelijke gebouwen en gronden kwamen in privéhanden terecht. De nieuwe eigenaars waren doorgaans vermogende en ondernemende leden van de bourgeoisie. Zij braken de gebouwen af of vestigden er fabrieken in. Door de verkoop van de nationale goederen zijn er enkele belangrijke cultuurhistorische monumenten verdwenen; daar tegenover staat dat de economische expansie er door werd bevorderd.

Hoewel de confiscatie van dergelijke goederen destijds een nationalisering werd genoemd, wordt ze tegenwoordig eerder beschouwd als een privatisering.

Zie ook[bewerken]