Nevel (meteorologie)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Ochtendnevel in de Dijlevallei nabij Leuven

Nevel komt het hele jaar voor, maar vooral in de lente of de herfst. We spreken van nevel als het zicht beperkt is door minuscule waterdruppeltjes. Deze waterdruppeltjes (of wolkendruppeltjes) zijn ca. 1 tot 10 micrometer groot terwijl een regendruppel typisch duizend keer zo groot is.

De atmosfeer bevat altijd een bepaalde hoeveelheid waterdamp, waarvan meestal een gedeelte is gecondenseerd op condensatiekernen, zoals fijnstof, pollen en vooral zoutkristallen. Hoe vochtiger de lucht, dus hoe hoger de relatieve vochtigheid, hoe meer condensatie optreedt. In de atmosfeer kan al bij een relatieve vochtigheid van ca. 35% vloeibaar water worden aangetoond om condensatiekernen, vooral als er veel wateraantrekkende (hygroscopische) kernen aanwezig zijn. Als er meer waterdamp is zal het druppeltje groeien en lost meestal de oorspronkelijke condensatiekern op. In de meteorologie wordt een grens van 80% relatieve vochtigheid aangehouden, waarboven men van nevel spreekt.

Is het zicht beperkt en de relatieve vochtigheid lager dan 80%, dan is er sprake van heiigheid. Dat komt veel voor in de zomer bij mooi weer, lage vochtigheid en een flink vervuilde lucht door industrie en verkeer. Vaak is er dan ook sprake van smog.

Wanneer het zicht in nevel minder dan 1000 meter wordt, dan spreken we van mist. Bij mist is de relatieve vochtigheid iets onder of op de 100%.