Patronaatsrecht

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het patronaatsrecht was in de feodale tijd een recht dat inhield dat men een voorstel voor de benoeming van een pastoor van een parochie mocht doen, dat dan nog door de bisschop bekrachtigd moest worden. Behalve politieke invloed hield het in dat men de pastoor en de kerk moest onderhouden, maar ook de inkomsten van de parochie ontving. Ook mocht men de patroonheilige van de parochie vaststellen.

Het zijn vooral abdijen die de patronaatsrechten verwierven, hetzij door zelf parochies te stichten, bijvoorbeeld in ontginningen, hetzij door schenkingen van edellieden die deze rechten bezaten. Kapittels konden eveneens patronaatsrechten bezitten.

Ook bij een beneficie of vicarie kon men bij de oprichting het patronaatsrecht verwerven. Degene die het patronaatsrecht ontving, wordt een collator genoemd. De collator mocht een voorstel doen wie van de inkomsten van een vicarie mocht genieten. De collator kon een priester zijn of een leek. In de middeleeuwen zijn het bij dit soort stichtingen vooral particulieren die patronaatsrechten verwierven.

Zie ook[bewerken]