Pesten (kaartspel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Pesten is een traditioneel kaartspel, waarvan de regels plaatselijk sterk variëren. Het is verwant aan het Amerikaanse spel Crazy Eights. Omdat de regels sterk verschillen per regio, huishouden of zelfs per persoon is het aan te raden vooraf af te spreken welke regels gehanteerd worden.

Algemene regels[bewerken]

  • Alle 52 kaarten van het kaartspel plus de jokers worden gebruikt.
  • Er kunnen meer pakjes kaarten tegelijk worden gebruikt.
  • Alle spelers krijgen een gelijk aantal kaarten, bijvoorbeeld zeven.
  • De spelers leggen om de beurt een kaart af op een centrale aflegstapel. Degene die als eerste al zijn kaarten kwijt is, is de winnaar.
  • De af te leggen kaart moet qua waarde of kleur gelijk zijn aan de bovenste kaart van de aflegstapel.
  • Wanneer een speler niet kan spelen, moet de speler een kaart van de trekstapel nemen. Als de trekstapel leeg is wordt de aflegstapel (met uitzondering van de kaart die op dat moment bovenop ligt) opnieuw geschud en gebruikt als nieuwe trekstapel.
  • Elke keer als de speler nog maar één kaart heeft, moet de speler kloppen, bij verzuim moet de speler er vijf pakken. Dat is ook het geval bij een valse klop als de speler nog twee of meer kaarten heeft. Wanneer een speler nog twee of meer kaarten heeft, maar er meerdere mag opgooien (zie hieronder), moet er geklopt worden tussen het opgooien van de één na laatste en laatste kaart.
  • Men mag niet met een pestkaart uitkomen. Een pestkaart is een kaart waar een speciale functie aan is gegeven. In sommige gevallen wordt alleen de Joker of alleen 2, 8 en Joker bedoeld.

Speciale kaarten[bewerken]

Vanwege het grote aantal variaties in de spelregels wordt hieronder per kaart een (niet uitputtende) lijst met mogelijke functies gegeven. Over het algemeen zijn de 3, 4, 6, 9 en Vrouw in de meeste spellen geen pestkaart; deze kaarten worden derhalve niet in het onderstaande overzicht besproken. Dat wil niet zeggen dat er in sommige varianten niet toch speciale regels aan deze kaarten kunnen zijn verbonden.

  • Aas
    • De volgorde waarin de spelers aan de beurt komen, keert om ("aas draai")
    • In sommige varianten heeft de Aas geen specifieke functie.
  • 2
    • De volgende speler pakt twee kaarten van de trekstapel.
  • 5
    • Wanneer een 5 opgegooid wordt, moet de volgende speler een Vrouw opgooien. Indien hij deze niet heeft, moet hij net zolang kaarten pakken van de trekstapel tot hij een Vrouw heeft ("vijf pak een wijf"). Het probleem met deze regel is dat wanneer alle Vrouwen bij andere spelers in de hand zitten, de speler de gehele stapel moet pakken (en daar stopt hij dan). Wanneer de volgende speler vervolgens niet kan, is er geen stapel om van te pakken.
    • In verreweg de meeste gevallen heeft de 5 geen speciale functie.
  • 7
    • De speler die deze kaart speelt, mag nog een kaart van de dezelfde kleur óf een andere zeven opgooien (in dat laatste geval mag hij vanzelfsprekend nog een keer opgooien). Deze regel wordt ook wel "zeven (blijft) kleven" genoemd.
    • De speler die deze kaart speelt, mag alle kaarten die hij heeft van dezelfde kleur opgooien ("zeven alles geven").
  • 8
    • De volgende speler moet een beurt overslaan ("acht wacht"). Wanneer met twee spelers gespeeld wordt, heeft dit tot gevolg dat dezelfde speler opnieuw aan de beurt is.
  • 10
    • Degene na de speler die deze kaart speelt, moet zijn kaarten aan de andere spelers laten zien ("tien laat je kaarten zien").
    • Iedere speler legt een kaart ondersteboven neer schuift hem tegelijkertijd naar hun eigen volgende speler ("tien wasmachien" (met één kaart)).
    • Iedere speler geeft al zijn kaarten (in de speelrichting) door aan de volgende speler ("tien wasmachien" (met alle kaarten)).
  • Boer
    • De speler die deze kaart speelt, noemt een kleur waarmee vervolgens verder gespeeld moet worden. In sommige spellen mag een Boer altijd opgelegd worden, ongeacht kleur of waarde van de voorgaande kaart. In andere spellen mag de Boer alleen opgelegd worden als deze, net als alle andere kaarten, past qua kleur of waarde op de voorgaande kaart.
  • Heer
    • De volgorde waarin de spelers aan de beurt komen, keert om ("heer keer"). Dit is hetzelfde als "aas draai". Meestal worden niet beide kaarten in één spel als keerkaart gebruikt.
    • De speler die deze kaart speelt, mag nog een kaart van de dezelfde kleur óf een andere heer opgooien (in dat laatste geval mag hij vanzelfsprekend nog een keer opgooien). Dit wordt ook wel aangeduid met "heertje nog een keertje". Deze regel is vergelijkbaar met "zeven kleven". Ook hier worden meestal niet beide kaarten in één spel in dezelfde functie gebruikt.
  • Joker
    • De volgende speler pakt (meestal) vijf kaarten van de trekstapel. Een Joker mag op alle kaarten worden gegooid.

Opgooien na pakken[bewerken]

Wanneer de speler niet kan, moet hij een kaart pakken. Het kan voorkomen dat de kaart die de speler van de trekstapel pakt, wél past op de aflegstapel. In sommige varianten mag deze kaart dan meteen opgelegd worden, terwijl dat in andere varianten niet is toegestaan. Hetzelfde geldt voor het pakken na een 2, waarbij men soms wel of soms niet meteen mag opgooien. Bij een Joker gelden nog andere regels. Omdat er na een Joker geen 'normale' kaart bovenop de aflegstapel ligt, moet er een nieuwe kleur bepaald worden. In sommige varianten mag de speler die de Joker opgooide dit doen, in andere varianten is dat de speler ná de speler die moest pakken (hij bepaalt dan de kleur door op te gooien). In weer andere varianten mag de speler die moest pakken zelf de kleur bepalen. Dit kan echter wederom op twee manieren. Ofwel bepaalt de speler die moest pakken direct zelf de kleur doordat hij mag opgooien, ofwel mag hij de kleur bepalen, maar mag hij zelf niet meer opgooien.

Optionele regels[bewerken]

  • Optellen: Op een kaart waarbij de volgende speler moet pakken (2 en Joker) mag nog zo een zelfde 'pakkaart' gegooid worden. Het totaal te pakken kaarten voor de volgende speler wordt opgeteld. Een voorbeeld: Speler A gooit een Joker, Speler B gooit een 2. Speler C heeft geen Joker en geen 2 en moet dus zeven kaarten pakken. In sommige gevallen mag een 2 niet op een Joker en vice versa. De 'optelregel' wordt in de meeste spellen gebruikt, maar soms is de volgende speler altijd verplicht te pakken (dan spreken we dus van niet optellen).
  • Pokerjoker: Dit is een variant op de 'optelregel'. Wanneer een speler een Joker opgooit, moeten de volgende spelers een twee opgooien om zich 'vrij te spelen' (dus geen andere Joker). Wanneer men (door het optellen) weer uitkomt bij de speler die in eerste instantie de Joker opgooide, moet hij pakken van de stapel, ook als hij zelf nog een twee heeft (de overige spelers hebben zich immers al 'vrijgespeeld').
  • Keerkaart op koopkaart: Wanneer een speler eigenlijk zou moeten pakken door een Joker of een 2, kan hij, wanneer deze regel gebruikt wordt, ook een keerkaart opgooien. De speelrichting draait om, waardoor de speler die in eerste instantie de pestkaart had opgegooid moet pakken (tenzij hij nog zo een kaart heeft en met de 'optelregel' gespeeld wordt).
  • Strafkaarten: Wanneer een speler de regels overtreedt, moet hij (afhankelijk van de spelvariant) 1, 2 of 5 kaarten pakken.