Quintus Tineius Rufus

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Quintus Tineius Rufus was een Romeins politicus aan het begin van de tweede eeuw na Chr. Hij behoorde tot de patriciërsstand.

Van mei tot oktober 127 was hij consul suffectus.[1] Van 130 of 131 tot 134 was hij legatus Augusti pro praetore van Judea.[2] Tijdens zijn ambtstermijn besloot keizer Hadrianus van Jeruzalem, dat er sinds de verwoesting aan het einde van de Joodse Oorlog in 70 desolaat bijlag, een colonia te maken met de naam Aelia Capitolina. Dit riep onder de Joden in Judea echter veel weerstand op. Onder aanvoering van Simon bar Kochba brak in 132 een opstand uit. Bar Kochba riep een onafhankelijke Joodse staat uit en voerde een guerrilla tegen de Romeinse legers. Ondanks dat hij hulp kreeg van de legatus van Syria, Publius Marcellus, en het legio III Gallica, slaagde Rufus er met het in Judea gelegerde legio X Fretensis niet in de opstand te bedwingen, ook niet toen het legio II Traiana Fortis en legio VI Ferrata te hulp kwamen. Volgens Eusebius, die niet geheel onbevooroordeeld is, verergerde Rufus de situatie juist door bloedbaden aan te richten en bezittingen van welgestelde Joden te confisqueren.[3] Zowel Joodse[4] als christelijke[5] bronnen stellen dat Rufus de Joodse tempel in Jeruzalem verwoestte. Hoewel dit historisch gezien onjuist is (de tempel was reeds in 70 verwoest en van 132-135 was Jeruzalem in handen van Bar Kochba), illustreert het wel de indruk die Rufus bij zijn onderdanen heeft nagelaten.

In vermoedelijk 134 verving keizer Trajanus hem door Sextus Iulius Severus.[6] Hoewel is voorgesteld dat Tinneius Rufus daarna nog in Judea bleef,[7] is het aannemelijker dat hij in 134 uit de provincie is teruggeroepen.[8]

Op twee (nog niet gepubliceerde) inscripties uit Skythopolis worden Tineius Rufus' vrouw en dochter geëerd.[9] Rufus' zoon was Quintus Tineius Sacerdos Clemens, die in 158 consul werd. Ook latere generaties nakomelingen hadden een succesvolle senatoriale carrière.

Noten[bewerken]

  1. AE 1945, 36b, 1997, 1780.
  2. AE 2003, 1807.
  3. Historia Ecclesiastica VI 6.1.
  4. Babylonische Talmoed, Ta'anit 29a.
  5. Hiëronymus, In Zach. 18:19.
  6. Dit wordt afgeleid uit het feit dat er enerzijds historische bronnen zijn die vermelden dat Tinneis Rufus gouverneur van Judea was toen de opstand uitbrak (o.a. Rufinus, Chron. IV 61; Eusebius, Historia Ecclesiastica IV 6.1), terwijl Cassius Dio tegelijkertijd aangeeft dat Iulius Severus de opstand neersloeg (LXIX 13.1). Zie Applebaum, p.117.
  7. Smallwood, p.550.
  8. Applebaum, p.118-119.
  9. Eck, p.244.

Referenties[bewerken]

  • (en) S. Applebaum, Judaea in Hellenistic and Roman Times: Historical and Archaeological Essays, Brill, 1989, pp.117-123
  • (en) W. Eck, "Rom und die Provinz Iudaea/Syria Palaestina: Der Beitrag der Epigraphik", in: A. Oppenheimer (ed.), Jüdische Geschichte in hellenistisch-römischer Zeit Oldenbourg, 1999, pp.237-264.
  • (en) E.M. Smallwood, The Jews Under Roman Rule. From Pompey to Diocletian, Brill, 2001, p.550.