Taxidermie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Een opgezette vogel. Ringmus, Passer montanus.

De taxidermie houdt zich bezig met het prepareren of opzetten van dieren. Prepareren is het bewerken van het dode lichaam van een dier, zodat het geconserveerd blijft. Iemand die dit doet noemt men een preparateur. Er zijn verschillende preparatietechnieken, zoals het 'volledig opzetten' of balgen.

Etymologie[bewerken]

Taxidermie is een samenstelling van de Griekse woorden τάξης (taxis) verplaatsen en δέρμα (derma) huid: het verplaatsen van de huid.

Opzetten[bewerken]

Phar Lap in het Melbourne Museum

Opzetten (of volledig opzetten) is een conserveringstechniek om een dood dier te conserveren, waarbij de vorm van het lichaam natuurgetrouw blijft bewaard en het resultaat kan worden tentoongesteld. De huid wordt hiertoe gestroopt en behandeld met alcohol (96%) om uitval van haren of veren te voorkomen. Vervolgens wordt de huid over een op maat gemaakt kunstlichaam gespannen. Het kunstlichaam is dusdanig gebouwd dat het opgezette dier in een natuurlijke pose te zien is. Bepaalde onderdelen worden door kunstexemplaren vervangen (in ieder geval de ogen). Sommige beenderen (schedel, poten) worden gereinigd en gebruikt voor het kunstlichaam.

Balgen[bewerken]

Nuvola single chevron right.svg Zie Balgen voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

Balgen is een goedkopere techniek die vaak gebruikt wordt om een dierenlichaam te conserveren voor onderzoek. Hierbij blijven alleen de huid en de schedel bewaard en de oorspronkelijke vorm gaat grotendeels verloren.

Prepareren met arseen[bewerken]

In de taxidermie werd vroeger arseen gebruikt om geprepareerde specimen te beschermen tegen insecten zoals motten, het spekkevertje, en de museumkever.

De toepassing was niet zozeer gericht op het weghouden van insecten, maar veeleer op het doden ervan alvorens ze hun vernietigende werk konden voortzetten.

Bij het prepareren gebruikte men afhankelijk van het soort op te zetten dier, een soort pasta die bestond uit arseen, zeepvlokken, water, kamfer, krijt en kalium. Deze pasta werd na het villen aangebracht, door middel van een penseel. Deze methode werd vooral voor kleine specimen gebruikt, van vogels tot maximaal de maat van een vos. Bij grotere dieren werd de huiden eerst gelooid, waarna een laagje van deze pasta aan de binnenzijde werd aangebracht. Ook werd de huid wel gedompeld in een bad met arseen.

Het gebruik van arseen heeft bij taxidermisten in vroegere tijden legio gevallen van blindheid, en zwerende wonden veroorzaakt. Wegens de hoge toxiciteit wordt de stof door taxidermisten vrijwel niet meer gebruikt. Er zijn nu producten in de handel die minstens even doeltreffend zijn, zonder de risico's van arseen.