Tukker
Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Tukker is de bijnaam die door sommige Nederlanders wordt gegeven aan Twentenaren.
Tukker komt waarschijnlijk van het woord "tuk" in het Twents, dat broekzak betekent - wellicht verwijzend naar de gewoonte om met beide handen in de broekzak over straat te gaan, hetgeen voor de stedeling boers overkwam. Tukker zou daarom een weinig vleiende beschrijving kúnnen zijn, ware het niet dat het voor Twentenaren tegenwoordig een geuzennaam is. Zo gebruiken fans van de Twentse voetbalclub FC Twente het woord Tukker veel op spandoeken.
Afgeleid van het woord Tukker wordt soms naar Twente verwezen als Tukkerland of Tukkerije, waarbij de laatste met name wordt gebruikt als het om een negatieve associatie gaat.
Inhoud |
[bewerken] Dorp
Een inwoner van het dorp Tuk (gemeente Steenwijkerland) wordt ook een Tukker genoemd.
[bewerken] Familienaam
Tukker is bovendien een achternaam. Deze werd tot in de achttiende eeuw soms ook als 'Tucker' geschreven. Deze familie kwam veel voor in de omgeving van Vianen, waar vooral in Hagestein vanaf de 15e eeuw 'Tuckers' leefden. Zij bewoonden vanaf die tijd tot in de 16e eeuw onafgebroken één en dezelfde boerderij, die in leen gegeven was aan Jan Jansz Tucker, maar waarvan men al aan het eind van de 15e eeuw ook delen in eigendom had. De eerst bekende Tucker is overigens Jan Tucker. Hij verkocht in het jaar 1368 een huis in Breda. Of hij de vader was van bovengenoemde Jan Janszoon Tucker is niet bekend.
De herkomst van deze familienaam heeft naar alle waarschijnlijkheid niets met Twente te maken. De naam is waarschijnlijk verbonden met het Oudnederlandse 'tuc' dat plukken betekent. In het Engels is het woord 'tucker' verbonden met de wol- en weefindustie. Het betekent hier 'voller', oftewel iemand die wol uiteenplukt om het te vervilten. Het woord wordt ook wel in verband gebracht met het Duitse 'tucher' (doekenwever). Het is pas laat in de 19e eeuw een geuzennaam geworden voor iemand die uit Twente komt -vermoedelijk omdat het woord ook hier weer een verbintenis had met de textielindustrie die daar toen zo belangrijk was. Of de naam in Engeland terecht gekomen is via de levendige handel in wol en textiel met de Zuidelijke Nederlanden, waardoor in de vijftiende en zestiende eeuw veel Vlamingen en Nederlanders in Zuid-Engeland terecht kwamen, is niet bekend. Dat de naam al in 1066 het Kanaal overstak met William de Veroveraar, die een groot contingent Vlaamse troepen met zich meenam, berust op speculatie.
Willem Jansen Tucker (geb. Hagestein 1682- overl. Zijderveld 1757), stamvader van de meeste Utrechtse en Zuid-Hollandse Tukkers, en met hem zijn nakomelingen, heeft deze familienaam vermoedelijk te danken aan een verwantschap in de vrouwelijke lijn met de 15e en 16e eeuwse Tuckers uit Hagestein. Het door deze Tuckers gevoerde familiewapen waarin 3 maal de zogenaamde schoorsteenhaal voorkomt, is waarschijnlijk dan ook niet door hem gevoerd omdat een familiewapen alleen in mannelijke lijn overerft.
[bewerken] Vogel
Voorts wordt de naam Tukker gebruikt als synoniem voor de Kneu of de Putter, twee veelkleurige zangvogels.
In de Twentse almanak van 1963 (?) wordt melding gemaakt van de vernoeming van Tukkers naar de kneu. In de middeleeuwen was dit een uitgesproken algemeen voorkomende broedvogel van het toen heideachtige, landelijk gebied. Hier komt het woord 'heikneuter' oftwel 'boerenpummel' vandaan. En 'heikneuter' was weer een scheldwoord voor iemand uit het (Twentse) landelijk gebied. Het is dus mogelijk dat 'Tukker' de betekenis van 'heikneuter' heeft gekregen omdat het beide synoniemen waren voor iemand uit Twente. Wat in ieder geval zeker is, is dat zelfbewuste Twentenaren (of Twenten, zoals ze zelf liever heten) aan het eind van de 20e eeuw werkelijk gediscussieerd hebben over de vraag of 'Tukker' niet een mooie geuzenaam voor een Twent was; tegenstanders vonden het woord teveel negatieve associaties hebben, anderen vonden dat het woord juist paste bij het regionalistische streven van na de Tweede Wereldoorlog om Twente een eigen identiteit te geven. [1]
Bronnen, noten en/of referenties:
- ↑ F.G.H. Löwik, De Twentsche Beweging, strijd voor modersproake en eigenheid (2003)

