Virusenvelop

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het virusomhulsel (engels: viral envelope) is een bij bepaalde virussen voorkomende uitwendige structuur, die bestaat uit lipiden van een lipide dubbelmembraan, gemaakt met materiaal uit gastheercellen en de daarin opgeslagen virale eiwitten. Het virusomhulsel omsluit ten minste een eiwitmantel, waarin op zijn beurt de virale nucleïnezuren zijn verpakt. Afhankelijk van de soort virus ontstaat het virusomhulsel uit het celmembraan aan het celoppervlak of uit membranen van het endoplasmatisch reticulum (ER), bijvoorbeeld golgi-apparaatjes in het inwendige van de cel.

De aanwezigheid van een virusenvelop is een belangrijk criterium bij de indeling van virussen, de zogenaamde virale taxonomie. Daarin worden virussen met virusenvelop van de virussen zonder virusenvelop (of 'naakte' virussen) onderscheiden. Terwijl virussen zonder virusenvelop een geïnfecteerde cel steeds alleen kan verlaten door de gastheercel te vernietigen, kunnen virussen met virusenvelop zonder een dergelijke lyse vrijkomen. De virusenvelop is van grote betekenis voor de opname van virussen in de cel, de stabiliteit tegen milieu-invloeden, en ontsmettingsmiddellen, als ook het groter vermogen om gemakkellijker veranderingen in het virusoppervlak aan te brengen. Deze variabiliteit door een virusenvelop is een evolutionair voordeel ten opzichte van virussen zonder envelop. Een virusenvelop stelt virussen is staat om het immuunafweersysteem van een gastheer gemakkelijker te omzeilen of zich beter aan een nieuwe gastheer aan te passen. Deze eigenschappen van de virusenvel kunnen het best geïllustreerd worden door verscheidene bij mensen nieuw opkomende virussen („emerging viruses“), die een reëel of potentieel gevaar vanwege een mogelijk pandemie vertegenwoordigen, die omhulde virussen, zoals bijvoorbeeld het Hiv, het SARS-coronavirus, het influenza-virus, het Ebolavirus en het West-Nijl virus. Al deze virussen hebben een virusenvelop.