Aaltje Noordewier-Reddingius

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Aaltje Noordewier-Reddingius

Alida Nassau (Aaltje) Noordewier-Reddingius (Deurne, 1 september 1868 - Hilversum, 6 april 1949) was een internationaal vermaarde Nederlandse sopraanzangeres en zangpedagoge, lange tijd woonachtig te Hilversum.

Familie[bewerken]

Aaltje Reddingius stamde uit de Friese domineesfamilie Reddingius, die vermeld wordt in het Nederland's Patriciaat.[1] Zij werd in 1868 te Deurne geboren in de hervormde pastorie aan de Helmondseweg als dochter van de predikant Wibrandus Gerardus Reddingius en Louisa Justina Margaretha Sibinga. Behalve twee doodgeboren broertjes had Aaltje nog een broer, de dichter Joannes Reddingius. Aaltje huwde op 11 juli 1893 te Delft met de classicus en kunstschilder Michiel Noordewier, zoon van Hendrik Jan Noordewier en Anne Helder.

Loopbaan[bewerken]

Reddingius volgde van 1886 tot 1890 een opleiding aan het Amsterdamsch Conservatorium, eerst piano bij Jean-Baptiste de Pauw, maar ze stapte al snel over op zang bij Johannes Messchaert. Reeds in 1888 debuteerde zij als liedzangeres in Hoorn en kort daarna trad ze in Utrecht op als soliste in het oratorium Paulus van Mendelssohn onder leiding van Richard Hol. Zij toerde met de alt Pauline de Haan-Manifarges en de pianist Anton Verheij en trad ook met familieleden op. Ze maakte, met Messchaert en Arnold Spoel, ook enige tijd deel uit van het Nederlandsch A Capella Koor van Daniël de Lange.

Vanaf 1893 nam haar carrière een grote vlucht in binnen- en buitenland. Vooral in het oratorium-repertoire maakten haar vertolkingen grote indruk.[2] Zij zong vaak de Missa Solemnis en de Negende symfonie van Beethoven en de grote werken van Bach en Händel. Zij was een vaste gast tijdens de jaarlijkse uitvoeringen van de Matthäus-Passion in het Amsterdamse Concertgebouw onder Willem Mengelberg. Bij recitals werd ze begeleid door onder meer Julius Röntgen. Tot haar kennissenkring behoorden Arthur van Schendel, die zij in zijn zomerverblijf in Domburg bezocht, en Alphons Diepenbrock.

In de jaren dertig trok ze zich terug uit het concertleven, maar ze leidde nog vele zangers en zangeressen op, onder wie Laurens Bogtman en Aafje Heynis, die een van haar laatste leerlingen was. In 1949 overleed ze in haar villa 'Nieuw-Deurne' te Hilversum.[3]

Het echtpaar Noordewier-Reddingius kreeg twee zonen. De jongste, de jonggestorven Michiel (1903-1930), was fluitist in het Concertgebouworkest en trad een enkele keer met zijn moeder op. De oudste zoon, Hendrik Jan (1894-1968), emigreerde naar de Verenigde Staten, waar hij een Amerikaanse tak stichtte van het geslacht Noordewier. Alle nazaten van Aaltje Noordewier wonen daar. Andere leden van het geslacht Reddingius wonen ook in Nederland.

Onderscheidingen[bewerken]

Varia[bewerken]

  • Er zijn in Nederland drie lanen en drie straten naar de zangeres genoemd. Zowel in Bussum als in Leiden is er een Aaltje Noordewierlaan. De wijk Prinsenland in Rotterdam heeft een Alida Noordewier-Reddingiuslaan. In Den Haag en in Hengelo is er een Aaltje Noordewierstraat. Deurne heeft een Aaltje Reddingiusstraat. Ook bevinden zich te Deurne een muziekschool 'Aaltje Noordewier' en een 'Aaltje Reddingius-gemeenschapshuis'.
  • De Hongaarse kunstenaar Ede Telcs heeft een borstbeeld van Aaltje Noordewier-Reddingius vervaardigd.

Literatuur[bewerken]

  • Nederland's Patriciaat, jaargangen 3 (1912) & 30 (1944). Den Haag: Centraal Bureau voor de Genealogie.
  • Onze Musici. Portretten en biografieën. Nijgh & Van Ditmar, Rotterdam, 1898.
  • Hans Schouwman, Aaltje Noordewier-Reddingius en haar zangkunst. Servire, Den Haag, 1958.
  • Eddie de Paepe, 'Aaltje Noordewier-Reddingius, sopraan en zangpedagoge', Eigen Perk (Hilversums Historisch Tijdschrift), 2001/1, ook in: [3]

Externe links[bewerken]