Aangeboren afwijking

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Een aangeboren afwijking of congenitale aandoening is een afwijking of aandoening waarmee men geboren wordt, ongeacht de oorzaak. Het woord congenitaal komt van het Latijnse woord congenitus = aangeboren.

Een aangeboren afwijking kan wel of niet erfelijk zijn, maar niet iedere erfelijke aandoening leidt tot een aangeboren afwijking. Zo zijn er erfelijke aandoeningen die niet noodzakelijk al tot uiting komen bij de geboorte.

Oorzaken[bewerken | brontekst bewerken]

Een aangeboren afwijking kan door vele factoren veroorzaakt worden. Een grove splitsing kan worden gemaakt tussen afwijkingen die berusten op erfelijke factoren, afwijkingen die te herleiden zijn tot een gebeurtenis tijdens de zwangerschap en afwijkingen die ontstaan zijn tijdens de geboorte. Soms ook is er sprake van een combinatie van factoren die al dan niet met elkaar te maken hebben.

Erfelijke factoren[bewerken | brontekst bewerken]

Factoren tijdens de zwangerschap[bewerken | brontekst bewerken]

Factoren rond de bevalling[bewerken | brontekst bewerken]

  • Zuurstofgebrek tijdens de zwangerschap of tijdens de geboorte is verreweg de meest voorkomende oorzaak van afwijkingen die ontstaan rond de bevalling. Zij kunnen leiden tot uiteenlopende motorische en verstandelijke handicaps, bijvoorbeeld door een placenta praevia, foetomaternale transfusie, afklemming van of door de navelstreng.
  • Langdurig glucosegebrek rond de bevalling (neonatale hypoglykemie) kan in extreme gevallen blijvende schade geven waaronder hersenbeschadigingen zoals insulten en leerproblemen.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]