Alphonse Bertillon

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Zelfportret, 1900

Alphonse Bertillon (Parijs, 22 april 1853 - Münsterlingen, 13 februari 1914) was een Franse criminoloog en politieagent. Hij ontwikkelde in 1879-1880 een systeem om verdachte misdadigers te identificeren, dat naar hem Bertillonage werd genoemd.

Bertillonage[bewerken]

Bertillonage bestond uit verschillende onderdelen. Een ervan was gebaseerd op de antropometrie: de nauwkeurige opmeting van elf lichamelijke kenmerken die samen uniek zouden zijn voor elk individu. Deze kenmerken waren onder meer de lichaamslengte, spanwijdte van de uitgestrekte armen, lengte en breedte van het hoofd, lengte van het rechteroor en lengte van de linkervoet.

Deze antropometrische metingen werden aangevuld met de kleur van de ogen, het haar en de huid; een beschrijving van overige opvallende uiterlijke kenmerken zoals tatoeages, littekens en dergelijke; en een gestandaardiseerde foto van de verdachte - de voorloper van het mug shot - frontaal en in profiel; de stoel waarop de verdachte zat en de camera waren aan de vloer vastgemaakt om steeds dezelfde afstand te behouden.

De opstelling van Bertillon voor het fotograferen van verdachten

Met zijn systeem voor het klasseren en doorzoeken van deze signalementskaarten was hij een voorloper van datamining.[1] Hij rangschikte de kaarten niet alfabetisch maar verdeelde ze in drie groepen: deze met kleine, middelgrote of grote lengte van het hoofd. Elke groep was weer onderverdeeld in drie groepen volgens de breedte van het hoofd, daarna volgens weer een ander kenmerk, zodat de politieagenten na het uitvoeren van alle metingen hopelijk met een kaart overbleven, indien het een verdachte was die reeds eerder in contact was gekomen met het gerecht.

Zijn methode bleek succes te hebben; in de eerste drie jaar dat ze werd toegepast konden 800 verdachten geïdentificeerd worden. Tegen 1888 had Bertillon de leiding van een speciale identificatieafdeling van de Parijse politieprefectuur. Hij werd een internationale beroemdheid en zijn systeem werd in andere landen gekopieerd. Ook detectiveschrijvers vermeldden hem in hun boeken; bijvoorbeeld Arthur Conan Doyle in The Hound of the Baskervilles (1902) of Agatha Christie in The Secret of Chimneys (1925).[1]

De antropometrische methode had echter het nadeel dat ze veel werk vergde, en ze bleek ook niet onfeilbaar. Ze werd overbodig door de komst van de dactyloscopie (identificatie via vingerafdrukken, die veel sneller en eenvoudiger is). Bertillon zelf verzette zich hiertegen want hij was ervan overtuigd dat zijn methode nauwkeuriger was. Dankzij hem was Frankrijk het laatste land dat dactyloscopie invoerde.[1]

Rol in de Dreyfusaffaire[bewerken]

Bertillon speelde een opvallende rol in de Dreyfusaffaire, waarin hij steevast de schuld van Dreyfus verkondigde. Hij trad verscheidene malen in rechtszaken op als grafologisch expert, hoewel hij op dit gebied geen ervaring had. Zo beweerde hij dat een bezwarend document dat aan Dreyfus werd toegeschreven wel degelijk door hem was geschreven, hoewel het in een ander handschrift was gesteld. Als verklaring van het verschil tussen Dreyfus' handschrift en dat van het document beweerde Bertillon dat Dreyfus zijn eigen handschrift had vervalst, en wel op zulkdanige manier dat het moest lijken alsof iemand anders zijn (Dreyfus') handschrift had proberen te imiteren. Hij probeerde dit te bewijzen aan de hand van ingewikkelde diagrammen. Toen er steeds meer twijfel rees rond zijn redenering, bleef hij Dreyfus als schuldige aanduiden, met de vreemde redenering dat het document van Dreyfus moest zijn, precies omdat men niet kon bewijzen dat het van hem was. Dat men dat niet kon bewijzen kwam door een perfect uitgekiende verdedigingsstrategie, en dat moest wel het bewijs van de schuld zijn. Het kwam zover dat de Franse president over Bertillon zei dat het wel leek alsof die uit een gekkenhuis was ontsnapt.[1]

Bertillons argumentering werd later door Franse geleerden definitief onderuitgehaald, maar Bertillon weigerde dit te aanvaarden. Zelfs toen de Franse regering hem kort voor zijn dood een eretitel in het Legioen van Eer aanbood, op voorwaarde dat hij zijn dwaling over het handschrift van Dreyfus erkende, weigerde hij dit.

Bertillons optreden in de Dreyfusaffaire bracht zijn reputatie een flinke deuk toe, maar hij bleef toch verder directeur van zijn identificatieafdeling. Hij raakte wel de controle over de grafologische afdeling kwijt.