Andreas Baader

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Andreas Bernd Baader (München, 6 mei 1943 - Stuttgart, 18 oktober 1977) was een voorman van de links-extremistische beweging Rote Armee Fraktion (RAF), destijds ook wel de Baader-Meinhof-Groep genoemd.

Baader was de zoon van een in de Tweede Wereldoorlog gevallen historicus. Voordat hij in het links-radicale actiewezen terechtkwam leidde hij het leven van een rebelse bohémien. Hij volgde een tijdlang een kunstenaarsopleiding en had een paar los-vaste baantjes.

In 1968 werd Baader samen met onder andere Gudrun Ensslin veroordeeld tot drie jaar cel wegens brandstichting in twee warenhuizen in Frankfurt am Main. Ze werden in juni 1969 vrijgelaten omdat ze in hoger beroep waren gegaan, maar doken onder toen dit onterecht werd verklaard. Baader werd in april 1970 opnieuw gearresteerd. Een gewapend groepje onder leiding van Ensslin wist hem op 14 mei 1970 te bevrijden. Ze kregen hierbij hulp van de linkse journaliste Ulrike Meinhof. De bevrijdingsactie wordt gezien als het eerste wapenfeit van de RAF.

De groep, naast Baader, Ensslin en Meinhof bestaande uit Horst Mahler, Holger Meins, Jan-Carl Raspe en nog verschillende anderen, was in de twee jaar die volgden verantwoordelijk voor meerdere bankovervallen, inbraken en bomaanslagen. Hierbij vielen in totaal vier doden en meer dan 30 gewonden. Op 15 juni 1972 werden de belangrijkste kopstukken, onder wie Baader, gearresteerd en later tot levenslange gevangenisstraf veroordeeld. Zogenaamd wegens het grote gevaar voor de Duitse samenleving werden de opgepakte groepsleden in extra bewaakte inrichtingen geplaatst en werd er in Stuttgart-Stammheim zelfs een nieuwe, hypermoderne gevangenis uit de grond gestampt.

Overlijden[bewerken]

Op 18 oktober 1977 overleed Baader in zijn cel aan de gevolgen van een schotwond. Diezelfde morgen werden ook Ensslin en Raspe dood in hun cellen aangetroffen. Irmgard Möller, een vierde RAF-lid, werd zwaar gewond gevonden met een steekwond. Officiële onderzoeken concludeerden al snel dat de drie zelfmoord hadden gepleegd. Niet slechts door aanhangers van de RAF, maar ook door onafhankelijke internationale onderzoeken, is dit altijd bestreden en wordt de dood van het drietal als executie beschouwd. De herfst van 1977 staat in Duitsland bekend als de Duitse Herfst. De zogenaamde tweede generatie van de RAF viel de Duitse staat aan middels aanslagen en gijzelingen met als doel de gevangen RAF-leden vrij te krijgen. Een dag na het overlijden van de drie RAF-leden werd het lijk van de gegijzelde werkgeversbaas Hanns-Martin Schleyer gevonden.