Ankerbalkgebint

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ankerbalkgebint met zwaar korbeel

Een ankerbalkgebint is een gebint met twee verticale, doorlopende stijlen en een ligger, (de ankerbalk), die met pen-en-gatverbinding door de stijlen is gestoken en met toognagels is verankerd.

De voorlopers van het ankerbalkgebint verkregen hun stevigheid door de staanders diep in de grond te verankeren. De constructie van het ankerbalkgebint is zo sterk dat deze verankering niet langer noodzakelijk was. De staanders werden op stenen voeten geplaatst, poeren genaamd, met als groot voordeel dat ze niet meer kunnen inrotten waardoor de constructie bij goed onderhoud een vrijwel onbeperkte levensduur heeft.

De ankerbalkconstructie vond zijn toepassing in boerderijen, woonhuizen en kapgebinten van kerken en andere gebouwen. Dit type gebint komt sinds het einde van de middeleeuwen overal in Nederland voor, aanvankelijk alleen in dakstoelen en vanaf ongeveer 1450 ook in boerderijen en andere gebouwen.

In het grootste deel van Friesland, Groningen en Noord-Holland is deze constructie slechts spaarzaam aangetoond, voornamelijk bij eikenhouten gebinten uit de zeventiende eeuw. Voor grenen gebinten is het ankerbalkengebint minder geschikt, vanwege het risico dat te dun uitgevoerde stijlen gaan splijten. Lange tijd heeft men gemeend dat het ankerbalkengebint in Oost-Nederland de oudste constructievorm was, die mogelijk al in de Bronstijd werd toegepast. Inmiddels zijn er veel aanwijzingen (onder andere uit Drenthe en Westerwolde) dat dit type in Oost-Nederland is voorafgegaan door langsgebinten, elders door dekbalkgebinten. Het ankerbalkgebint geeft meer opslagruimte; de stijlen konden bovendien verder van elkaar geplaatst worden, zij het niet zo ver als bij een dekbalkgebint.

Opvallend is dat Hollandse immigranten, die zich rond 1600 in Noord-Duitsland vestigden, de voorkeur gaven aan een ankerbalkgebint. Zowel in de stolpboerderijen die men hier rond 1600 bouwde als in een hallenhuis van 1569 uit de Wilstermarsch (bij Glückstadt) werd deze constructie toegepast, die elders in de regio niet voorkwam. Ook in Oldenburg en in Jutland raakte de ankerbalkconstructie in de loop van de zestiende eeuw in zwang. Elders in Noord-Duitsland werd hij pas in de loop van de zeventiende en achttiende eeuw mondjesmaat ingevoerd.

De gebinten werden vaak door de dorpstimmerman op zijn werf vervaardigd en voorzien van telmerken, zodat deze als bouwpakket op de bouwplaats in elkaar gezet konden worden. Bouwhistorici kunnen soms van deze telmerken afleiden in welke periode de gebinten ongeveer gemaakt zijn. Ankerbalkgebinten werden vrijwel altijd gemaakt van eiken.