Stolpboerderij

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Model van een dubbele stolpboerderij uit Midden-Beemster in Madurodam
Op deze foto van stolpboerderij 'Bij Goedvinding' in Oud Osdorp (Amsterdam) (ca. 1890) is de piramidevorm van de kap goed zichtbaar.
De Barmhartige Samaritaan in Westerblokker (1659) is van het West-Friese type met de darsdeuren aan de voorzijde van de boerderij. Het woongedeelte is voorzien van een Renaissance trapgevel.
Langhuisstolp te Wognum (1626).
Der rote Haubarg te Witzwort, Eiderstedt (1647/48).
Kapconstructie van een stolpboerderij te Wognum.

Een stolpboerderij is een boerderijtype, dat vooral in Noord-Holland voorkomt. Het is een vierkante boerderij met een piramidevormig dak. Onder dit dak was plaats voor de boerenfamilie, het vee, het hooi, de wagens en andere werktuigen. Dit boerderijtype valt in de hoofdgroep Noordelijke huisgroep, net als de Friese verwant, de stelpboerderij.

Geschiedenis[bewerken]

De stolpboerderij omstreeks 1550 ontstaan in Noord-Holland uit de behoefte grotere hoeveelheden graan en hooi op te slaan. De hoge schuur kwam daarbij in de plaats van de traditionele hooiberg. De middeleeuwse boerderijen waren varianten van het Friese langhuis of het hallenhuis. Ze worden afgebeeld op kaarten en tekeningen, onder andere door Rembrandt.

Bij het oudste type ging het vermoedelijk om al langer bestaande langhuizen met een woongedeelte en een koeienstal, waarbij de schuur werd aangebouwd, soms met inpassing van de bestaande bedrijfsgedeelten. In de loop van de zestiende eeuw kreeg de woning een plek in de schuur. In 1552 is in Westzaan voor het eerst sprake van een hoyhuis met voorin een woongedeelte. De oudste stolpboerderij te Hoogkarspel is dendrochronologisch gedateerd op 1560 of 1561. Het gebint is gemaakt van Scandinavisch eikenhout.[1] Het woord stolp wordt voor het eerst gebruikt in 1599 in het bestek voor de bouw van een eenvoudige schuur bij het nieuwe Gemenelandshuis in de Zijpe- en Hazepolder. Het woord is vermoedelijk afgeleid van het Middelnederlands stulpe ‘stulp, deksel’ en verwijst naar de dakvorm, die op een omgekeerde kom of een klok lijkt. Vanaf het midden van de zeventiende eeuw werd het woord stulp ook gebruikt voor een 'kleine, armelijke of nederige woning'.[2]

Boerderijen-onderzoekers als Klaas Uilkema en Rob Hekker gingen er lange tijd vanuit dat de stolpboerderij was ontstaan uit een hooiberg die was voorzien van uitgebouwde buitenstijlruimten of uitkubbingen. Daarbij wezen ze onder andere op stijlen van hooibergen die waren hergebruikt. Ook zeventiende-eeuwse tekeningen die het boerenleven romantiseerden, werkten deze gedachte in de hand. Deze theorie is inmiddels achterhaald.

De stolpboerderij is, net als andere schuurtypen, waarschijnlijk afgeleid van middeleeuwse kloosterschuren en andere hoog ontwikkelde bouwwerken. De oudste stolpboerderijen blijken bovendien, in tegenstelling tot wat men vroeger dacht, een kapgebint met jukspanten te hebben gehad.[3] Pas toen grotere lengten aan Scandinavisch grenenhout voor de sporen ter beschikking kwamen, zag men daarvan af. De stolpboerderij kenmerkt zich vooral door de verdubbelde schoren of zwiepingen, die ook bij de hiervan afgeleide bouwvormen in Duitsland terugkeren. Terwijl men in Noord-Holland echter - net als in Friesland en Groningen - vasthield aan het dekbalkgebint, gaven de Hollandse immigranten elders de voorkeur aan een ankerbalkgebint, dat thuis uitsluitend in traditionele langhuizen werd toegepast.

Landeigenaren en investeerders lieten voor hun pachters vaak moderne stolpboerderijen bouwen. Zelf brachten ze geregeld de zomer door in de herenkamer van hun hofstede. Ook werden er wel dubbele stolpen - een soort twee-onder-een-kapboerderijen - gebouwd. Het verschil met de langwerpige Friese stelpboerderij en andere Fries-Groningse boerderijtypen is betrekkelijk. In Noord-Holland gaf men vermoedelijk mede om esthetische redenen de voorkeur aan piramidale bouwvormen. Waar meer akkerbouw voorkwam, werden langwerpige stopen met twee of drie vierkanten gebouwd.

De bouw van stolpboerderijen werd vooral toegepast in de nieuwe droogmakerijen: de Zijpe- en Hazepolder, Wieringerwaard, Beemster, Purmer en Schermer. Met betrekkelijk weinig hout werd een groot bouwvolume gecreëerd. Het was een succesvol Nederlands exportproduct dat zijn weg vond van Duinkerke tot in Denemarken. De noordelijkste stolp was 'Westeranflod' in Møgeltønder, gebouwd door een Deensgezinde Fries in 1911, maar later afgebrand. In Zuid-Holland zijn stolpboerderijen te vinden in Lisse, Aalsmeer en in Moerkapelle, waar in de polder Wilde Veenen omstreeks 1660 de boerderij Stolpenburg verrees. In Noord-Holland is de stolpboerderij ook te vinden op de eilanden Texel en Wieringen; op oude kaarten zijn verder enkele stolpen op Vlieland te zien.

In het begin van de zeventiende eeuw kwam de stelpboerderij als Friese variant op. De eerste stelpboerderijen werden vermoedelijk gebouwd in de polders van de Staverse Meren (1620) en het Workumer Nieuwland (1624). Enkele voorbeelden staan op een in 1659 gemaakte kaart. Dit boerderijtype heeft vanwege het grotere aantal gebintvakken een rechthoekige in plaats van een vierkante plattegrond.

Tussen 1840 en 1880 ging het opnieuw erg goed in de agrarische sector en werd een groot aantal stolpboerderijen bijgebouwd.

De architectuur van stolpboerderijen werd ook gebruikt voor boerenschuren, traankokerijen, molenschuren en stolpkerken, waarvan de eerste in 1658 te Volendam verrees.

Constructie[bewerken]

Een stolpboerderij bestaat uit een vierkante constructie van houten balken of scheepsmasten waarop het dak rust. Deze ruimte of barg werd gebruikt om hooi op te slaan. De ruimte daaromheen werd gebruikt als woongedeelte, stal, wagenschuur en werktuigenberging. De zijwanden werden in het begin gemaakt van hout, net als de meeste huizen in de Zaanstreek en het Waterland. Er was veel hout voorradig door de houthandel met het Oostzeegebied en hout rot niet in het drassige landschap. Later werden de wanden ook van steen gemaakt. De zijwanden hebben geen dragende functie. Het dak is gemaakt van riet, soms met kunstig uitgesneden patronen. Ook riet was volop voorradig, het weegt niet veel, het heeft een relatief glad oppervlak, waardoor het stormvast is en het is waterdicht, waarbij het wel uitwasemt.

Het woongedeelte ligt aan de zuidkant, met de bedsteden aan de kant van het hooi. Het hooi en het rieten dak werken isolerend. Ook de koeien en paarden geven veel warmte af. In de zomer als de dieren buiten lopen, werd een gedeelte van de stal vaak ingericht als woongedeelte; de zogenaamde zomerstal.

Boven het woongedeelte werd vaak een gedeelte van het rieten dak weggelaten, met rechte of gebogen begrenzingen, dit wordt de spiegel genoemd. Hier was het brandgevaar groter en het riet was niet noodzakelijk voor de uitwaseming van het vee. Het vrijgekomen gedeelte en de nok werd met gitzwart geglazuurde dakpannen bedekt. Dit levert vaak fraaie dakspiegels op. Sommige stolpboerderijen hebben een klok- of trapgevel voor het woongedeelte.

Hollands en West-Fries type[bewerken]

In Noord-Holland zijn er grofweg twee verschillende types stolpboerderijen te onderscheiden: het (Noord-)Hollandse type en het West-Friese type. Het verschil tussen de twee types zit hem met name in de plaatsing van de darsdeuren, de deuren die naar onder andere de stal leiden. Bij de stolphoeves van het Hollandse type zijn de deuren aan de achterzijde geplaatst omdat de weilanden waar het vee graast zich aan de achterzijde van de boerderij bevinden. Bij de West-Friese stolpen bevinden de deuren zich aan de voorkant, in het geval van een gekeerde boerderij aan de zijkant, omdat het vee via de weg naar de stolp geleid werd. De afgeleide Noord-Hollandse en West-Friese stolp heeft een symmetrische indeling met de voordeur in het midden van de voorgevel. In een paar gevallen dat in de voorgevel een rouw- en trouwdeur geplaatst is, bevindt de voordeur zich aan de ene kant van de voorgevel en de pronkdeur aan de andere. Het kan ook gebeuren dat de voordeur zicht in de dars of aan in een zijgevel bevindt. De gekeerde West-Friese stolp heeft darsdeuren in de zijgevel, zodat het vee via de weg naar de wei kan worden gebracht.

Langhuisstolp[bewerken]

De langhuisstolp is een voorloper van de eigenlijke stolpboerderij, waarvan enkele exemplaren bewaard zijn gebleven. Hij bestaat uit een traditioneel Friese langhuis dat is geïntegreerd met een aangebouwde schuur. Hollandse landverhuizers namen dit type rond 1600 mee naar de Wilstermarsch bij Glückstadt in Sleeswijk-Holstein, waar het bekend staatn als Barghaus of Barghus. De term berchhuus komt al rond 1500 voor in Haarlem; hij was vermoedelijk synoniem met 'hooihuis'.[4] Het woord berg of barg verwijst naar een opslagplaats voor hooi of graan, waarmee gewoonlijk een hooiberg werd bedoeld. De term langhuisstolp komt niet uit historische bronnen. De Texelse stolp heeft eveneens een uitgebouwd voorhuis met - net als op Terschelling - een kapelhuis boven de darsdeuren.

Wieringse boerderij[bewerken]

Een variant van de langhuisstolp is de Wieringse boerderij op het voormalige eiland Wieringen. De schuur, die is opgebouwd uit twee vierkanten, staat hier haaks op het woonhuis. Een van de zijbeuken is weggelaten, waardoor een verhoogde achterwand ontstaat.

Schouwse stolp[bewerken]

De Schouwse stolp kwam voor op het eiland Schouwen in Zeeland, waar het rond 1600 werd ingevoerd door migranten uit Noord-Holland. Het werd lange tijd tot het Zeeuwse schuurtype gerekend. Recent onderzoek van Piet van Cruynigen en anderen heeft duidelijk gemaakt dat het hier wel degelijk om een variant van de stolpboerderij gaat. Een van de beschreven boerderijen had overigens ingegraven stijlen. Het laatst overgebleven exemplaar te Kerkwerve is bij de stormramp van 1953 verloren gegaan.

Haubarg[bewerken]

De Haubarg is een variant van de stolpboerderij die voorkomt in Noord-Friesland (Sleeswijk-Holstein), met name op het schiereiland Eiderstedt. De eerste exemplaren werden rond 1600 gebouwd en waren varianten van de langhuisstolp. De eerste volledig ontwikkelde stolpen werden vanaf 1609 gebouwd door een dijkbouwersconsortium onder leiding van Jan Claesz. Rolwagen uit Alkmaar. Een van de mooiste exemlaren is de boederij 'Rothelau' te Kating, gebouwd in 1653 in opdracht van Adriaen Albertsz. Hauwert uit Medemblik, tegenwoordig in het Frilandsmuseet te Kongens Lyngby. Vergelijkbare boerderijen verrezen in de zeventiende eeuw ook elders langs de Waddenkust, onder andere in Oost-Friesland, Land Wursten en Dithmarschen, maar daar zijn geen exemplaren bewaard gebleven. De term 'Haubarg' (1603: howbarch) is mogelijk niet afgeleid van 'hooiberg', maar van het woord 'huif' ('overkapping'). Het gebint van de Haubarg kenmerkt zich in de regel door een ankerbalkconstructie.

Hooihuis[bewerken]

Het hooihuis is een variant van de stolp, die zich kenmerkt door het weglaten van de zijbeuken of een deel daarvan. Hij komt vooral voor in het Waterland, de Zaanstreek en de Beemster. In de regel in het hooihuis aangebouwd aan het woongedeelte en de koeienstal; soms is hij vrijstaand. De oudste hooihuizen hadden de vorm van een traditioneel langhuis, die voorzien werd van een oogstberging.

Boet[bewerken]

De boet is een vrijstaande houten schuur naar het model van een stolp, waarbij de voorste schuine dak is weggelaten om ruimte te maken voor de toegangsdeur. Het type is vooral op Texel bewaard gebleven. Stolpconstructies waren ook gebruikelijk bij vrijstaande schuren, traankokerijen en loodsen.

Bergschuur[bewerken]

In de Wilstermarsch (Sleeswijk-Holstein) bouwde men vrijstaande schuren onder de naam Bargscheune; het oudste bewaarde exemplaar dateert uit het begin van de zeventiende eeuw. Verwant is ook de bergschuur in West-Vlaanderen en de omgeving van Duinkerke, die men vroeger wel als Friese bergschuur betitelde. Een aantal daarvan is vermoedelijk door toedoen van Hollandse immigranten gebouwd. Sommige voormalige kasteelschuren, onder andere te Aagtekerke en Stedum behoorden eveneens tot dit type. Qua constructie staan de Vlaamse bergschuren, waarvan slechts een vijftiental bewaard is gebleven, echter dichter bij het Zeeuwse en Vlaamse schuurtype.

Heden[bewerken]

Sinds de Tweede Wereldoorlog is het aantal stolpboerderijen in Noord-Holland sterk verminderd. De stolpen zijn te klein of te ouderwets voor een modern agrarisch bedrijf. Daarnaast gaat het houtwerk rotten door de verlaging van het grondwaterpeil, waardoor de fundering van de stolp gaat verzakken. Ook door blikseminslagen gaan veel stolpboerderijen verloren.

Er zijn een paar duizend stolpboerderijen over in Noord-Holland, waarvan er een paar honderd onder monumentenzorg vallen.

In 1988 werd de 'Boerderijenstichting Noord-Holland "Vrienden van de Stolp"' opgericht, die een eigen nieuwsbrief uitgeeft.

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]

  • B. Bakker, 'Langhuis and Stolp: Rembrandt's Farm Drawings and Prints', in: C.P. Schneider (red.), Rembrandt's Landscapes: Drawings and Prints, Washington, DC 1990, p. 33-59.
  • N. Boschma en H. van Koolbergen, Stolp of salon? De ontwikkeling van het huis met aangebouwd 'vierkant' in Broek in Waterland gedurende de 17de en 18de eeuw, Arnhem 1985.
  • L. Brandts Buys, De landelijke bouwkunst in Hollands Noorderkwartier, Arnhem 1974 (naslagwerk).
  • L. Fischer, Haubarge. Ein Bauernhausform hat abgewirtschaftet?, Bredstedt 1984, 4e dr. 1991.
  • R.C. Hekker, De Noord-Hollandse stolphoeve, Assen z.j. (1944)
  • R.C. Hekker, 'De ontwikkeling van de boerderijvormen in Nederland', in: S.J. Fockema Andreae, R.C. Hekker en E.H. ter Kuile, Duizend jaar bouwen in Nederland, dl. 2, Amsterdam 1958, p. 195-376.
  • R.C. Hekker, 'Nieuwe bouwstoffen voor de geschiedenis van de Noord-Hollandse boerderij', in: De Speelwagen 6 (1951), p. 203-212.
  • R.C. Hekker, De Schouwse stolp. Een verdwenen boerderijtype, Arnhem 1985.
  • S. de Jong, Vijf Noordhollandse boerderijbestekken uit de eerste helft van de 17de eeuw. Een studie over het ontstaan en de bouw van stolpboerderijen, Arnhem 1985.
  • S. de Jong, 17de eeuwse landelijke bouwkunde in Amstelland. Een analyse van een aantal bouwbestekken, afrekeningen en contracten van agrarische gebouwen, Arnhem 1988.
  • K. Junge, Das friesische Bauernhaus. Seine Verbreitung und Entwicklungsgeschichte, Oldenburg 1936.
  • O.S. Knottnerus, 'Haubarg, Barghaus, Bargscheune und ihre mittelalterlichen Vorläufer: Materialien zur Vorgeschichte der Gulfscheune', in: Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet 32 (2008), p. 105-125, ook in: Der Maueranker: Baupflege in Nordfriesland, Dithmarschen und Angeln 30 (oktober 2011), afl. 3, p. 7-29 (literatuurlijst online) (overzicht over vroegste geschiedenis).
  • S. Messchaert-Heering, Onder één dak. Wonen en werken in boerenhuizen en boerderijen te Enkhuizen, Enkhuizen 2003.
  • Monumentale boerderijen in Amsterdam. Een cultuurhistorische rapportage [tekst en onderzoek: J.J.W. Goudeau, F.J.T. Grovestins, P.J. van Cruyningen], Amsterdam 2003.
  • E.L. van Olst, Uilkema, een historisch boerderij-onderzoek. Boerderij-onderzoek in Nederland 1914-1934, Arnhem 1991, deel 1 (stand van het onderzoek).
  • M.V. Pedersen, 'Diger, kreaturer og tekopper. Frilandsmuseets haubarg Rothelau og landskabet Ejdersteds bondeelite', in: Nationalmuseets Arbejdsmark (2003), p. 27-47.
  • H.A. de Reiger, 'De boerderijvormen op Wieringen in vergelijking met die in Noord-Holland', in: West-Friesland's Oud en Nieuw 29 (1962), 22-37
  • Fr. Saeftel, Haubarg und Barghus, die friesischen Großhäuser an der schleswig-holsteinischen Westküste, Heide 1930.
  • J.J. Schilstra, L. Brandts Buys en C. de Jong, De stolp te kijk. De stolpboerderij nu en straks, 1978, 1990, volledig herz. dr. Wormerveer 2004 (overzicht).
  • C. Scheer en U. Mathieu, Das Barghus in der Wilstermarsch. Die Geschichte von Barghauser und Bargscheunen, z.pl. 1995.
  • R. Stenvert et al., Monumenten in Nederland: Noord-Holland, Zeist, Zwolle 2006, p. 66-69 (kort overzicht van Noord-Hollandse boerderijtypen)
  • J.N. de Wit, Leven en werken in en om de stolpboerderij tussen 1650 en 1950, Renkum 2003.

Externe links[bewerken]