Schuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Schuur in Willeskop
Tiendschuur van de abdij van Herkenrode
Een oogstschuur op de Keutenberg in Schin op Geul
Een 19e-eeuwse 'Hollandse' schuur in de VS
Een 'Hollandse' kapschuur in Engeland

Schuren bestaan in allerlei vormen en stijlen. De bouwstijl van landbouwschuren was traditioneel afhankelijk van de streek waar de schuur werd gebouwd. De deel is een werkruimte in de landbouwschuur, die gebruikt werd als dorsvloer en als losplaats voor met graan beladen wagens. Algeneem in West- en Centraal-Europa waren driebeukige schuren, gebouwd rondom een houten frame of gebint, waardoor het gebouw werd onderverdeeld in een centrale ruimte met zijbeuken.

De middeleeuwse schuur is vanaf de twaalfde eeuw ontstaan op kloosterboerderijen, kroondomeinen en adellijke landgoederen. Voorlopers waren de middeleeuwse ontvangstzaal, het prehistorische woonstalhuis en het Romeinse graanpakhuis.

Historische schuren in Nederland worden in de regel onderscheiden naar hun indeling, waarbij het met name gaat om de plaats van de oogstberging en die van de deel. In boerderijen van de Noordelijke huisgroep werd de oogst doorgaans opgetast in een centrale ruimte (tas of golle), die vanaf een zijlangsdeel toegankelijk was. Deze oplossing was kenmerkend voor de middeleeuwse kloosterschuren en ook voor de Vlaamse schuur en voor de vrijstaande schuur of boet op Texel en in West-Friesland. In Duitsland spreekt men wel van een Gulfscheune, in Denemarken over een agerumsladen. De stolpboerderij, de stelp en de Oldambtster boerderij zijn te beschouwen als dergelijke schuren met een ingebouwd woongedeelte.

Bij schuren van de hallenhuisgroep werd de oogst vanaf een centrale of een overdwarse deel op de zolderbalken emn in de zijruimtes geladen. Varianten hiervan zijn onder andere de pyramidale schuur in centraal Frankrijk en de 'Hollandse schuur' (New World Dutch Barn in de Verenigde Staten en Canada.

Bij de dwarshuisgroep tastte men de oogst op in ruimtes aan weerszijden van de overdwars gelegen deel. Dit gold onder andere voor de Zeeuwse schuur. Dwarsschuren waren vooral op kleinere boerenbedrijven in Midden-Europa wijd verbreid.

Een schuur moet niet worden verward met een graanspieker, waarin vooral gedorst graan werd bewaard en een graan- of hooiberg, waarin de korenschoven onder een verstelbaar dak werden opgeslagen. Een tussenvorm is de kapschuur: een open schuur waarbij de buitenwanden gedeeltelijk ontbreken. Dit laatste type wordt in Engeland een 'Hollandse schuur' (Dutch barn) genoemd.

Gebruik[bewerken]

Afhankelijk van het gebruik en de vorm van de schuur kan men spreken van:

Beeldspraak[bewerken]

Het begrip graanschuur kan ook een figuurlijke betekenis hebben. Een gebied dat veel graan oplevert voor een bepaalde regio wordt wel aangeduid als 'de graanschuur' van die regio:

Literatuur[bewerken]

  • Malcolm Kirk, The Barn. Silent Spaces, Londen 1994.
  • Otto S. Knottnerus, 'Haubarg, Barghaus, Bargscheune und ihre mittelalterlichen Vorläufer: Materialien zur Vorgeschichte der Gulfscheune', in: Probleme der Küstenforschung im südlichen Nordseegebiet 32 (2008), p. 105-125, ook in: Der Maueranker: Baupflege in Nordfriesland, Dithmarschen und Angeln 30 (oktober 2011), afl. 3, p. 7-29 (literatuurlijst online).
  • Eric Sloane, An Age of Barns. An Illustrated Review of Classic Barn Styles and Construction, New York 1967, 4e ed. 2005.
  • Jean-René Trochet, Maisons paysannes en France et leur environnement, XVe-XXe siècles, Parijs 2007.

Zie ook[bewerken]

Fietsenschuurtje

Beluister

(info)