Hallenhuisgroep

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Samenvoegen   Ten minste één Wikipediagebruiker vindt dat de onderstaande inhoud, of een gedeelte daarvan, samengevoegd zou moeten worden met Hallenhuisboerderij, of dat er een duidelijkere afbakening tussen deze artikelen dient te worden gemaakt  (hier melden).
Links een Langsdeeltype, rechts een Langgevelboerderij met hun kenmerkende indeling:
deel (1), tas (2), stallen (3) en het woondeel (4)

De hallenhuisgroep of het Nederduitse hallenhuis (vroeger: hallehuis) is een verzameling bouwwijzen van boerderijen die voorkomt in bijna geheel Nederland en in grote delen van Noord-Duitsland, met name in de provincies Drenthe, Overijssel, Gelderland, Utrecht, Zuid-Holland en Noord-Brabant. De hallenhuisgroep vormt daarmee de belangrijkste groep historische boerderijen in Nederland. In het Engels spreekt men doorgaans over het Low German house, de technische term is aisled hall house ('driebeukig hallenhuis'). in Duitsland overweegt de term Niedersachsenhaus of niederdeutsches Hallenhaus.

De boerderijenonderzoeker Rob Hekker maakte in 1957 een onderscheid tussen boerderijtypes voor gemengd bedrijf (middenlangsdeel-, staldeel- en dwarsdeelboerderij) en types voor de veeteelt (voerdeel, grondtas en voergang). Dit onderscheid is enigszins gekunsteld en sluit bovendien de Brabantse langgevelboerderij uit, die zich uit het hallenhuis ontwikkeld heeft. Hekker rekende dat laatste type tot de zuidelijke of dwarshuisgroep.

In het hallenhuis werd de oogst oorspronkelijk op de zolderbalken bewaard. De meest gebruikte gebintconstructie was sinds de vijftiende of zestiende eeuw het ankerbalkgebint. Daarbij werden de uiteinden van de zolderbalken iets verlaagd tussen de standers aangebracht. Hun uiteinden staken door de stijlen en werden met houten wiggen verankerd. Daardoor werd de zolderruimte groter en kon men - door de afstand tussen de stijlen te vergroten - spaarzamer met het beschikbare bouwmateriaal omgaan. Hier en daar komen ook kopbalk- en tussenbalkgebinten (de voorlopers van de ankerbalk) voor.

De boerderijen van de Nederlandse hallenhuisgroep wijken op dit punt sterk af van hun Duitse tegenhangers, die (met uitzondering van het Duits-Nederlandse grensgebied grotendeels) met langsgebinten werden gebouwd. Deze bouwwijze is ook in Oost-Nederland in zwang geweest, maar werd in vanaf de vijftiende eeuw verdrongen door het gebruik van ankerbalken.

Het vee kreeg oorspronkelijk een plek in de buitenstijlruimte, met de koppen naar de deel. De meeste boerderijen van het hallenhuistype kenmerkten zich ook later door een veestalling, die afweek van datgene wat bij de Noordelijke huisgroep gebruikelijk was. Meestal stonden de koeien met hun achterkant naar de buitenmuur, zodat hier ook de mestgroep te vinden was.

In de vroegmoderne tijd was er een sterke wisselwerking tussen boerderijen van de hallenhuisgroep en de grote schuren van de Zeeuwse en Vlaamse schuurgroep en de Noordelijke huisgroep. Dit gebeurde niet alleen door de overname van ankerbalken, maar ook door de invoering van grote tasvakken tussen de stijlen van het gebint. Soms werd ook de veeopstelling aangepast. Bij de invoering van de dwarsdeel was eveneens sprake van wisselwerking met de Zeeuwse schuur en boerderijen van de dwarshuisgroep.

Ook de boerderijen van de dwarshuisgroep im Limburg hebben zich uit het hallenhuis ontwikkeld, dat hier vaak wordt gecombineerd met een Vlaamse schuur.

De volgende typen hallenhuis kunnen worden onderscheiden.

Boerderijen met middenlangsdeel[bewerken]

Dit type komt met name voor in de provincies Overijssel, Gelderland, Utrecht en Zuid-Holland, verder in Zuidoost-Friesland, Oost-Brabant en Noord-Limburg. De grote deuren waardoor de oogst vroeger werd binnengereden, bevinden zich in de achtergevel van de boerderij. De oudere hallenhuisboerderijen uit Noordoost-Brabant worden ook wel kortgevelboerderij genoemd. De oudste boerderijen uit Stellingwerf hadden soms een aangebouwde Friese schuur. Hekker rekent beide tot het 'staldeeltype'. De veeteeltbedrijven van het Kampereiland en de Lopikerwaard rekent hij daarentegen tot het 'voerdeeltype', die uit de Zuid-Holland tot het 'voergangtype'.

Krukhuis- en T-boerderij[bewerken]

In welvarende gebieden rond de grote rivieren, heeft men het woongedeelte vaak zijwaarts uitegebouwd. Wanneer dit naar één kant is gebeurd, spreken we van een krukhuisboerderij; wanneer dit aan twee kanten is gedaan, spreken we van een T-boerderij.

Los hoes[bewerken]

Een voorloper van de boerderij met middenlangsdeel is het los hoes, waarvan het interieur nog grotendeels een ongedeelte leefruimte vormt, met in het midden een stookplaats, waarvan rook en warmte zich vrijelijk door de ruimte konden bewegen. Het type kwam rond 1900 vooral in de Achterhoek en Twente voor; elders was het al eerder verdwenen. Ten gevolge van het moderniseringsproces zijn deze boerderijen meest verdwenen.

Voergangtype[bewerken]

De traditionele veeteeltbedrijven ten zuiden van Amsterdam, in westelijk Zuid-Holland en het Duinengebied waren smal en hadden hadden weinig inpandige bergruimte; ook de grote toegangsdeuren ontbraken. Ze leken in dat opzicht sterk op het Friese langhuis ten noorden van het IJ. Een hooiberg of kapberg achter de boerderij diende als hooi- en oogstberging niet boven de deel maar achter de boerderij onder een kapberg, die via de voergang achter de koeien toegankelijk was.

Boerderijen met dwarsdeel[bewerken]

De boerderijen met een dwarsdeel hadden gewoonlijk toegangsdeuren in de zijkant. Het waren vooral boerderijen met gemengd bedrijf. Danzij de dwarsdeel kon men de ruimte beter benutten en een deel van de oogst op de bodem opstapelen. Dit betreft onder andere boerderijen uit:

Grondtastype[bewerken]

De boerderijen in Giethoorn, Alblasserwaard en de Vijfherenlanden waren zo ingericht dat men, net als bij de stolp, de oogst centraal in het gebouw opstapelde op de grond. Hierdoor ontstonden grote tasvakken, die nauwelijks afweken van de Friese schuren van de Noordelijke huisgroep dan wel de Vlaamse schuur.

Het Overmase type van de Zuid-Hollandse Eilanden[bewerken]

Op de Zuid-Hollandse Eilanden (oftewel het Overmase) verrezen vanaf het einde van de middeleeuwen grote boerenschuren, die nauwelijks voor de schuren in Zeeland en Friesland onderdeden. Ze ontwikkelden zich uit het hallenhuis, dat mede onder invloed de Zeeuwse schuur, zo werd ingericht dat men meer graan kon bergen. Vanaf de zeventiende eeuw werden deze boerderijen onder invloed van het Vlaamse schuurtype dijkwijls van een zijlangse deel of doorritvoorzien. De schuur bleef wel aan de woning vastzitten, zodat de gebouwen ook uiterlijk op hun noordelijke tegenhangers gingen lijken. Zuid-Hollandse landverhuizers hebben vermoedelijk elementen van deze bouwwijze (met name de veestalling) overgebracht naar de Bildtse boerderij.

Langgevelboerderij[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie Langgevelboerderij voor het hoofdartikel over dit onderwerp.

De langgevelboerderij kwam voor in bijna de gehele Belgische en Nederlandse Kempen en in het noorden van Nederlands Limburg. Deze boerderijen ontwikkelden zich uit het middenlangstype. Terwijl men de zijbeuken wegliet en de deuren naar de zijgevel verplaatste, koos men tevens voor een dwarse indeling. Ankerbalken waren hier minder geschikt, zodat men ze op den duur achterwege liet.[bron?] Een variant is de hoekgevelboerderij.

Externe links[bewerken]