Oldambt (landstreek)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
1rightarrow blue.svg Zie ook: Oldambt (gemeente)
De middeleeuwse kerk van Groot-Termunten in het Klei-Oldambt
Wapen van het voormalig waterschap Oldambt, eerder van het Termunterzijlvest (1601), met de romaanse kruiskerk van Midwolda

Het Oldambt (Duits Oldamt, Latijn Veterus Districtus of Veterus Praefectura) is een landstreek vlak bij de Duitse grens in Oost-Groningen. Het bestond vanouds uit de onderdelen Klei-Oldambt en Wold-Oldambt.

Het Oldambt werd in de middeleeuwen omsloten door Fivelingo, Reiderland, Westerwolde en het nog onontgonnen gebied van de Groninger veenkoloniën. In de zeventiende en achttiende eeuw behoorde het niet tot de Ommelanden, maar tot de stadsjurisdicties van Groningen. In de negentiende en twintigste eeuw contrasteerde men het Oldambt vaak met het Hogeland. Het is het prototpye van De graanrepubliek, een succesvol boek van Frank Westerman waarin de teloorgang van het Nederlandse platteland wordt beschreven.

Het Oldambt is van oorsprong een agrarische gemeenschap en kent een roerige geschiedenis. De streek is voor Nederlandse begrippen dunbevolkt en economisch weinig ontwikkeld. De bevolking is sterk vergrijsd; voor jongeren met een opleiding is er nauwelijks perspectief op werk. Met het zogenaamde Blauwestad-project hoopte men hier in de jaren 2000 verandering in te brengen.

De eigen identiteit van het gebied werd tot in de jaren zeventig van de twintigste eeuw sterk gevoeld. Hij werd tevens gevoed door de media, waarvan de Winschoter Courant de belangrijkste was. De veranderende arbeidsverhoudingen in de landbouw en de teloorgang van de strokartonindustrie betekenden hier een ommekeer.

De omvang van het gebied dat tot het Oldambt wordt gerekend, is de laatste decennia sterk ingekrompen, terwijl ook Winschoten zijn centrumpositie ten dele verloor. Het noordwestelijke deel wordt tegenwoordig tot Delfzijl gerekend, het zuidwestelijke deel (Menterwolde) is zich sterker op Veendam en Hoogezand-Sappemeer gaan oriënteren en zal in 2018 met de gemeenten Hoogezand-Sappemeer en Slochteren fuseren. Pekela en Bellingwedde zijn zich sterker op Stadskanaal gaan oriënteren.

Geografie[bewerken]

De benaming Oldambt kan op twee manieren opgevat worden:

  • Historisch: het bestuurlijke district Oldambt (tot 1798) (kaart 1)
  • Landschappelijk: het gebied met landschapskenmerken van het Oldambt (kaart 2)

Historisch[bewerken]

Kaart 1: Het Oldambt (historisch bestuursdistrict, tot 1798)

Het middeleeuwse Oldambt bestond voornamelijk uit kleilanden, wolden (ontgonnen veengebieden) en kwelders, waarvan het grootste deel vanaf de negende of tiende eeuw ontgonnen is. Het gewest Oldambt was vanouds verdeeld in twee delen.

Klei-Oldambt[bewerken]

Het Klei-Oldambt stond in de middeleeuwen bekend als Menterne (tevens de Latijnse naam voor Termunten, maar genoemd naar de rivier de Munte). Het wordt ook wel het Klein-Oldambt, soms Oud-Oldambt genoemd. Het was een wierdenlandschap, grotendeels bestaand uit vruchtbaar kleiland dat voortdurend bloot stond aan het gevaar van overstromingen. Tot het gebied behoorden vijf kerspelen: Groot-Termunten (Grote Munte), Klein-Termunten (Lutke Munte, met het klooster Grijzemonniken), Borgsweer, Woldendorp en het verdronken dorp Zwaag. Wagenborgen sloot zich hier omstreeks 1435 bij aan, terwijl in de zestiende eeuw ook het door de zee bedreigde dorp Westerreide de facto bij het Oldambt werd gevoegd.

De hoofdplaats was Groot-Termunten, waar sinds de zestiende eeuw de ambtman van het Klei-Oldambt zetelde. De Munte stroomde door dit gebied.

Wold-Oldambt[bewerken]

Het Wold-Oldambt stond in de middeleeuwen bekend als Menterwolde. Het wordt ook wel het Groot-Oldambt, soms Nieuw-Oldambt genoemd. Het Wold-Oldambt bestond vanouds vooral uit ontgonnen hoogveengebied, hetgeen ook te horen is aan de plaatsnamen, maar wordt nu grotendeels door een polderlandschap gevormd.

Tot het Wold-Oldambt behoorden in de middeleeuwen negen kerspelen: Eexta, Finsterwolde, Meeden, Midwolda (met de kloosters Menterwolde en Grijzevrouwen), Noordbroek, Oost-Finsterwolde, Oostwold, Scheemda en Zuidbroek (met Muntendam en de achterliggende veengebieden). Later werden ook drie kerspelen uit het verdronken Reiderland tot Oldambt gerekend: Beerta (met Ulsda), Westerlee (met het klooster Heiligerlee) en Winschoten (met de venen van Pekela).

De hoofdplaats was vanouds Midwolda, maar vanaf het einde van de zestiende eeuw Zuidbroek, waar de landdrost of ambtman van het Wold-Oldambt zetelde. In de vijftiende eeuw heeft de stad Groningen geprobeerd om ook Blijham en Bellingwolde bij het Oldambt te betrekken (met name door de bouw van de Pekelborg omstreeks 1482), maar dat is destijds niet gelukt. In 1498 werden de rechten weer overgedragen aan de bisschop van Münster; ze kwamen in handen van de heren van Arenberg, waarna ze in 1619 werden overgedragen aan de stad Groningen.

Landschappelijk[bewerken]

Kaart 2: Het Oldambt (landstreek)

Dollardpolders[bewerken]

Bedijkingen in het Dollardgebied (16e tot 20e eeuw)

Beide helften van het Oldambt werden rond 1500 van elkaar gescheiden door de inbraak van de Dollard, waarbij vijftien tot twintig dorpen in het Reiderland verloren gingen. De dorpen in het Wold-Oldambt werden bijna allemaal naar hogere gronden verplaatst. Zij bleven echter omvangrijke bezittingen in de hamrikken aan de overkant van de Dollard houden.

Door de bedijking van de hamrikken vanaf 1542 groeiden beide gebieden weer aan elkaar. In de polders ontstonden nieuwe nederzettingen als Noordbroeksterhamrik, Scheemderhamrik Nieuw-Scheemda (met het buurtschap 't Waar), Midwolderhamrik Nieuwolda, Oostwolderhamrik, Finsterwolderhamrik en Beertsterhamrik Nieuw-Beerta (met het buurtschap Drieborg.

Graanrepubliek[bewerken]

Vanwege de gedeelde (agrarische en sociaal-economische) kenmerken werd vanaf het einde van de achttiende eeuw ook het Nederlandse deel van het oude Reiderland (met de dorpen Bellingwolde en Blijham, soms ook Vriescheloo) tot het Oldambt gerekend. Het Oldambt en 'de Oldambtsters' had tegen die tijd al een uitgesproken eigen identiteit en mentaliteit, die ook voor de buitenwereld herkenbaar was. We kunnen in dit opzicht spreken van een graanrepubliek van herenboeren en landarbeiders.

Daarentegen ging men de veengebieden van Pekela, Veendam en Wildervank bij de Veenkoloniën rekenen. Tot dit Nieuw-Oldambt (met als hoofdplaats Winschoten) rekende men de huidige gemeenten Oldambt en de noordelijke delen van gemeenten Menterwolde en Bellingwedde. Het oostelijke deel van de gemeente Delfzijl wordt tot het Oud-Oldambt gerekend.

Een aantal kenmerken van het Oldambt (zoals de Oldambtster boerderij, de agrarische arbeidsverhoudingen en de vrijgevochten mentaliteit) was ook in buurgebieden herkenbaar, met name in delen van Duurswold, de Oosterhoek bij Delfzijl en de noordrand van de Veenkoloniën. Tussen het Oldambt en het Duitse Rheiderland bestaat vanouds een opvallende verwantschap, die zich ook in verwantschapsbanden uit.

Gemeente Oldambt (1990)[bewerken]

De gemeenten Reiderland, Scheemda en Winschoten zijn in 2010 samengegaan tot de gemeente Oldambt. De naam van de nieuwe gemeente is mede naar aanleiding van een volksraadpleging tot stand gekomen. De inwoners van de drie gemeenten hadden keuze uit de drie namen Reiderland, Winschoten en Oldambt, waarbij de laatste 62% variant van de stemmen kreeg. De gemeente Menterwolde koos in 1991 voor de historische benaming voor het Wold-Oldambt.

Blauwestad[bewerken]

In de jaren 2000 onderging de regio een grote verandering door het project Blauwestad. Dit werd gestart om de regio een positieve economische injectie te geven door de aanleg van het Oldambtmeer en het woningbouwproject Blauwestad. Het Oldambtmeer zorgde voor een grote impuls voor het watertourisme, maar de verwachte verkoop van de huizen bleef ver achter bij de verwachting. Gehoopt was onder meer op rijke westerlingen, maar deze bleven weg en slechts 10% van het aantal woningen werd gerealiseerd binnen de geplande bouwperiode. Bouwbedrijven haakten af en besloten werd daarop een deel van het gebied langdurig als natuurgebied aan te wijzen.

In 2010 gingen de gemeentes Scheemda, Reiderland en Winschoten onder druk van de provincie in het kader van het Blauwestad-project op in de gemeente Oldambt, met ongeveer 40.000 inwoners destijds de tweede gemeente van de provincie Groningen. De gemeente kampt net als het noorden van Groningen met bevolkingsdaling.

Oldambtmeer[bewerken]

Huningameer of Oostwoldmeer, 1781

In 2005 werd het Oldambtmeer aangelegd in het kader van het project Blauwestad. Dit meer, in zekere zin een voortzetting van het vroegere Huningameer, vormt sindsdien een belangrijk element van het Oldambt. Met een oppervlakte van 800 hectare is het een van de grootste meren van de provincie Groningen. Het is aangesloten op het Winschoterdiep en het Termunterzijldiep om het te ontsluiten voor watersporters uit Noord-Nederland en Duitsland. De aanleg van het Oldambtmeer als onderdeel van het Blauwestad-project riep overigens gemengde gevoelens op. Uit het gebied dat onder water zou worden gezet moesten veel woningen verdwijnen. En daarmee de bewoners die er vaak generaties lang woonden. Een veelgehoord beklag was: "Onze grootvaders hebben het hier drooggelegd en nu laten ze het weer onder water lopen!"

Infrastructuur[bewerken]

De A7 vormt een belangrijke schakel in de transportroute naar het noorden van Europa. Sinds 2005 is er over de grens tevens een aansluiting met het zuiden van Duitsland, waardoor het gebied een belangrijke positie voor transport en distributie vormt. Het wachten is echter nog op de verbreding van de N33 en de ontsluiting van het transportknooppunt ten noorden van Veendam. Voor de verbreding van de N33 is door de landelijke politiek inmiddels geld beschikbaar gesteld. Een ander knelpunt in de infrastructuur is de versmalling van het spoor ter hoogte van Zuidbroek tot over de grens met Duitsland. Het belang van railtransport wordt nog onderkend door de landelijke en regionale politiek.

Geschiedenis[bewerken]

Middeleeuwen[bewerken]

Zegel van het Wold-Oldambt zoals aangehecht aan een oorkonde uit 1347
Kerk van Noordbroek tijdens eerste restauratie (ca. 1900)

Tot de elfde of twaalfde eeuw maakte het Oldambt waarschijnlijk deel uit van Fivelingo, waaraan vermoedelijk ook de naam Oldambt oftewel 'het oude onderdistrict' is ontleend. Deels is dit te zien in de samenstelling van het decanaat Farmsum, dat behalve het gehele Oldambt ook het Oosterambt van Fivelingo omvatte. De vroegst bekende Oudfriese benamingen van het gebied zijn Alda Ombechte (aldus de Kroniek van Bloemhof in 1271) en Althammet (1276). De naam eerste variant staat ook op de rand van het zegelwapen van het Wold-Oldambt, dat vanaf 1347 in gebruik is. Achterhaald is de veronderstelling dat het Oldambt als eerste van de gebieden in het noorden van (het huidige) Nederland onder Frankisch bestuur zou hebben gevallen en vandaar de naam oude ambt moet hebben gekregen.

De grens tussen Reiderland en het Oldambt werd gevormd door de Tjamme en vermoedelijk de Fiemel Ae. De kuststreek werd voornamelijk bewoond door Friezen. Het gebied hoorde bij het Friesland tussen Eems en Lauwers (de latere Groningse Ommelanden). De grens met Fivelingo werd ten dele gevormd door de Sijpe; over het verloop van de grens van Wagenborgen tot Borgsweer bestaat minder duidelijkheid. Wagenborgen viel tot 1435 onder het Oosterambt van Fivelingo, maar kwam - in tegenstelling tot de omliggend keerspelen - niet in handen van de Ripperda's.

Het Oldambt maakte tot 1559 deel uit van het bisdom Münster. De kerkelijke rechtspraak werd uitgeoefend de proost van Farmsum. De proosdij was sinds het einde van de veertiende eeuw in handen van de hoofdelingenfamilie Ripperda. De rechten van de proost waren echter na een volksopstand in 1276 sterk beperkt. Volgens de bepalingen van het seendrecht van 1323 mocht hij niemand uit eigen beweging aanklagen.

Het wereldlijk bestuur in het Oldambt was in handen van dorpshoofdelingen, die samen met de gemeenschap van vrije boeren recht spraken en besluiten namen. Zij woonden in de regel op een borg of steenhuis. Binnen de kerspelen werd de functie van rechter of buurrechter bij toerbeurt waargenomen. De middeleeuwse hoofdplaats van het Oldambt was Midwolda. Het wapen van het Oldambt is de directe voorloper van die van de voormalige gemeente Midwolda. De afgebeelde vergrote kruiskerk van Midwolda diende als plaats voor bestuur en rechtspraak. Zo werd hier in 1471 het een nieuwe versie van het Oldambtster landrecht vastgesteld, dat ook gold voor 't vijffde deel van Reyderlant. Een eerdere versie was in 1427 in het klooster Palmar vastgesteld.

De machtigste families waren rond 1400 de Gockinga's in Zuidbroek en de Houwerda's in Termunten, die in toenemendende mate hun concurrenten uitschakelden. De omliggende dorpen deden daarop een beroep op de stad Groningen, die de Gockinga's en de Houwerda's meermalen tot overgave en ballingschap dwong, totdat de stad tenslotte in het midden van de vijftiende eeuw hun bezittingen in beslag nam. De eerste kastelein op de Houwerdaborg was een zekere Lodewijk Horenken, die vanaf 1444 de stadsrechten in het Oldambt en het Reiderland moest waarnemen; hij werd opgevolgd door zijn zoon Evert. Vanaf 1478 (tot 1503) zetelde de kastelein voor het Wold-Oldambt in de Pekelborg bij Winschoten. De kerspelen bleven daarna min of meer autonoom. In 1435 sloten ze een verdrag met de stad Groningen, waarbij ook Winschoten en Beerta in het Reiderland zich voegden, en in 1454 sloten hun vertegenwoordigers een bedijkingsovereenkomst om verder landverlies tegen te gaan. Dit verdrag werd namens het Wold-Oldambt bezegeld.

Onder de stad Groningen[bewerken]

Heiligerlee, monument ter herdenking van de Slag bij Heiligerlee (1868)
Ennemaborg te Midwolda
Winschoterdiep te Zuidbroek

In de zestiende eeuw volgde een ommekeer. Het bewind van de hertog van Gelre perkte na 1522 de rechten van de kerspelen echter steeds verder in ten gunste van de stad Groningen, die het gebied ging beschouwen als onderdeel van de stadsjurisdicties. In 1520 wordt voor het eerst de drost van het Wold-Oldambt genoemd, in 1526 die van het Klei-Oldambt. Dat alles leidde tot herhaaldelijke conflicten.

In mei 1568 werd het Oldamt een strijdtoneel, nadat de huursoldaten van Lodewijk van Nassau Groningen waren binnengevallen. Op 23 mei 1568 arriveerden Spaanse troepen die de invallers moesten verjagen. Ze werden opgesteld bij het klooster van Heiligerlee, maar daar opgewacht door het Staatse leger dat de Spanjaarden vervolgens het veenmoeras in dreef. Deze gebeurtenis is bekend komen te staan als de Slag bij Heiligerlee en vormde het begin van de Tachtigjarige Oorlog.

In maart 1580 tekenden vertegenwoordigers van de beide Oldambten eigenmachtig de Unie van Utrecht; het besluit daartoe was met het oude landschapszegel bekrachtigd. Dit leidde na het Verraad van Rennenberg tot wraakacties van de stad, waarbij de handelsvrijheid van de Oldambtsters sterk werd ingeperkt en het stapelrecht van de stad werd opgelegd. De enige concessie die de stad deed, was het toestaan van bierbrouwerijen en andere vormen van nijverheid, die in de Ommelanden verboden waren. De stad zorgde ook voor de aanleg van nieuwe kanalen die het mogelijk maakten dat landbouwproducten en turf uit het Oldambt naar de stad konden worden vervoerd. Eerst werd in de jaren 1584 tot 1587 een kanaal via Slochteren, Noord- en Zuidbroek door de Dollard naar Winschoten gegraven. Vanaf 1628 volgde de aanleg van het Winschoterdiep met zijtakken als het Muntendammerdiep, Meedenerdiep, Koediep (1635) en Buiten Nieuwediep (1665). Met het Termunterzijldiep (1601), Beertsterdiep (1636) en Bellingwolderzijldiep (1704) werd ook de afwaterng beter geregeld. Termunterzijl ontwikkelde zich tot zeehaven. De Westerwoldse Aa werd in 1657 afgesloten bij Nieuweschans, waar in 1690 het havenplaatsje Oudezijl ontstond.

In de eeuwen daarna probeerden de Oldambtsters geregeld meer te zeggen te krijgen over hun eigen zaken. Ze probeerden rond 1600 tevergeefs zitting te krijgen in de landdag van de Ommelanden en namen uiteindelijk in 1647 het bestuur in eigen hand. De Staten Generaal maakte echter een einde aan deze voor hen ongewenste situatie en bevestigde de overheersende positie van de stad. Vertwijfeld droegen enkele Oldambtster eigenerfden daarna tijdens de Eerste Münsterse Oorlog van 1665 de souvereiniteit over aan bisschop Christoph Bernhard von Galen (Bommen Berend). Diens troepen werden verslagen en de aanstichters kregen de doodstraf.

De strijd mocht dus niet baten en de Oldambtsters bleven achtergesteld ten opzichte van Fivelingo en Hunsingo, waar de eigenerfden wel over publieke zaken mochten meebeslissen. In het Oldambt voerde het stadsbestuur een min of meer absolutistisch bewind, waarbij de eigenerfden alleen bij waterstaatszaken en bij het bestuur van de kerkelijke gemeenten hun stemrecht mochten laten gelden. Dit had ook voordelen, want de stad zorgde - ondanks de wijdverbreide corruptie - voor recht en orde en effectief bestuur. Dankzij de overheersende positie van de Stad hebben zich in het Oldambt, anders dan Ommelanden, geen jonkergeslachten gevestigd die de heerlijke rechten naar zich toe trokken. De steenhuizen in het Oldambt hebben zich daarom nooit tot echte borgen ontwikkeld. Wel vestigden zich rijke stadsfamilies op hun buitenplaatsen in het Oldambt, waarvan de Hora's op de Ennemaborgh, de Gockinga's op Veenhuizen bij Noordbroek en Johan Geertsema te 't Waar de bekendste voorbeelden waren.

In een volgende fase kregen de conflicten met de stad vooral een politieke en religieuze dimensie. De meeste Oldambtsters kwamen in de ban van een strenge vorm van protestantisme met een mystieke inslag (de Nadere Reformatie) en waren overtuigde aanhangers van het Orangisme, een politieke stroming die meer macht aan de stadhouder wilde geven. Tijdens het Pachtersoproer van 1748 vormden ze militaire vrijkorpsen, die meehielpen bij de politieke omwenteling in de stad Groningen. Ze namen het bestuur tijdelijk in eigen hand en hun vertegenwoordigers voerden het voortouw op een regionale boerenlanddag in Appingedam. Mede dankzij hun acties voerde stadhouder Willem V een aantal hervormingen door, die bekend staan als het Reglement Reformatoir. Uiteindelijk namen vertegenwoordigers van de stad met steun van de Prins het bestuur weer over. Geregeld braken echter nog relletjes uit als de Oldambtsters meenden dat hun kerkelijke en politieke tegenstanders te veel ruimte kregen. In 1785 werden troepen naar het Oldambt gestuurd om de orde te handhaven. En zelfs nog na de Bataafse Omwenteling was het onrustig. Pas in de loop van de negenentiende eeuw bekenden de Oldambtster boeren zich tot het liberalisme.

Graanschuur van de provincie[bewerken]

Boerderij te Nieuw-Scheemda, 1838
Herenboerderij in eclectische stijl te Midwolda, ca. 1880
Achttiende-eeuws landarbeidershuis te Midwolda
Ploegende landarbeiders, Nieuw-Scheemda, ca. 1947

Na 1650 hadden de Oldambtsters een moeilijke tijd. De prijzen waren laag en veel kleine boeren waren gedwongen hun land te verkopen. Hadden de meeste boeren rond 1650 nog een bescheiden bestaan op boerderijen van vijf tot vijftien of twintig hectare, anderhalve eeuw later waren er voornamelijk grote boeren overgebleven. Het land was grotendeels in handen geraakt van rijke investeerders uit de stad. Ook de stormvloed van 1686 maakte veel kapot; Termunterzijl werd weggevaagd.

De nieuwe polders leenden zich echter uitstekend voor de akkerbouw. Al kort na de Kerstvloed van 1717 (waarvan het Oldambt grotendeels verschoond bleef) gold deze streek als 'het Puukje van de geheele Provincie'. Rond 1740 ontstond het beeld van het Oldambt als een 'Land Kanaän' met wuivende graanakkers en overvolle korenzolders. Deze ontwikkeling sloot aan bij die in Oost-Friesland. Beide regio's experimenteerden met arbeidsbesparende landbouwtechnieken als lichte voetploegen, dorsrollen, graanwaaiers, nieuwe vruchtwisselingstechnieken en de teelt van koolzaad, klaver en (op de zandgronden) ook aardappelen. Ook de grote schuren van het Oldambtster type hoorden hierbij. Later volgden nog de rijenteelt en het kleigraven, waarbij de landerijen werden bemest met opgedolven kalkrijke aarde.

Uitbraken van runderpest, die de veestapel decimeerden, en hoge graanprijzen droegen bij aan de omschakeling van gemengd bedrijf naar overwegend akkerbouw. De inflatie zorgde ervoor dat de vaste pachtsom die de boeren volgens de regels van het beklemrecht aan de landeigenaren verschuldigd waren, steeds minder waard werd, zodat ze in feite langzamerhand weer eigenaar werden van hun boerderijen.

Rond 1800 hadden de weilanden in de oudere polders en de hoogveenmoerassen die het Oldambt vanouds omringden al grotendeels plaatsgemaakt voor akkers. Deze tendens zette zich ook in de negentiende eeuw verder door. De opkomst van de strokarton- en aardappelmeelindustrie aan het einde van de negentiende eeuw gaven de akkerbouw nieuwe mogelijkheden, waardoor men niet alleen het stro, eerder een afvalproduct, maar ook de opbrengsten van de magere zandgronden beter te gelde kon maken. Nog altijd kent men in het Oldambt overwegend bouwland, in tegenstelling tot andere streken met zware polderklei, waar men is teruggekeerd naar veeteeltbedrijven.

In hoog tempo werd na 1750 het laatste hoogveen afgegraven. Het ontgonnen land werd ten dele uitgegeven aan arme dorpsgenoten, die eenkamerwoningen met een schuurtje naar het model van de overige boerderijen bouwden, eigen aardappelen verbouwden en voor de rest de kost verdienden als landarbeider op de grote boerderijen en als los werkman elders. In en rond de dorpen verrezen honderden nieuwe woningen, soms langs de dijken zoals bij Drieborg en Oudedijk, vaak aan smalle laantjes die achteruit het voormalige veengebied inliepen. Dankzij de (zelfverbouwde) aardappels groeide de landarbeidersbevolking en waren er voldoende mensen voor het het seizoenswerk op de boerderijen beschikbaar. Door de verbeterde levensomstandigheden nam de kindersterfte af en nam de levensverwachting toe.

Typerend voor het Oldambt (en voor delen van Duurswold en Oost-Friesland) was de zogenaamde eenschaft, waarbij de landarbeiders tot halverwege de middag werkten en de rest van de tijd op hun eigen grond of met aangenomen klussen bezig waren. Slechts een deel van landarbeiders in het Oldambt had vast werk, de overigen kwamen aan de kost met aangenomen werk, zoals turfgraven in de Veenkoloniën, grasmaaien in Friesland en werkzaamheden bij dijken en kanalen. Graanmaaien en slootgraven gebeurde voornamelijk op contractbasis. Deze vrije arbeidsverhoudingen gaven de Oldambtster landarbeiders een zekere mate van onafhankelijkheid, die aanvankelijk garant stond voor een (bescheiden) welstand die positief afstak bij omliggende streken. Wanneer het de boeren echter minder goed ging, zoals tijdens de Landbouwcrisis van 1878 en in de jaren na de Eerste Wereldoorlog, nam de armoede onder de landarbeiders snel toe, waarbij vooral grotere gezinnen met meer kinderen het moeilijk kregen.

De rijker wordende boerenstand ontleende zijn burgelijke leefstijl vooral aan stedelijke elites, waaraan men het eigen succes afmat. De welvaart van (een deel van) de landbouwers in de negentiende eeuw kan men tegenwoordig nog steeds zien aan de kapitale (maar inmiddels vaak bouwvallige) boerderijen. Deze statige boerderijen hebben tot op zekere hoogte het uiterlijk van een burgerwoning met meerdere etages, waarachter zich echter melkkelders, graanzolders en schuren verbergen. Politiek beschouwde men zichzelf als vooruitstrevend en keerde men zich af van de economische en kerkelijke elites, waarvan men meende dat die in de grote steden aan de touwtjes trokken. Het culturele centrum voor de liberle boerenstand en haar aanhang was Winschoten, een snel groeiende plattelandsstad met een vrijgevochten sfeer, een eigen krant, een theater, en kleurrijke spraakmakers van diverse pluimage.

De landarbeiders probeerden vaak op bescheiden wijze de levensstijl van de boeren na te bootsen; hun culturele horizon was vooral gevormd door de leerjaren die ze als knechten en meiden op de boerderijen hadden doorgebracht. Dat ze hierbij niet konden meekomen met de boeren en moesten ploeteren om de eindjes aan elkaar te knopen, leverde ook veel frustraties op. De grote standsverschillen, de heerszucht bij sommige boeren en de teleurgestelde verwachtingen bij de landarbeiders leidden tot frustraties en tot toenemende wrijving tussen boeren en hun arbeiders. De socialistische arbeidersbeweging speelde hierop na 1890 op in. Zij kon vooral profiteren van het feit dat de liberale boerenstand n verregaande mate met de kerkelijke orthodoxie had gebroken. Een minderheid (in dorpen als Midwolda, Oostwold en Wagenborgen) zocht juist bescherming bij orthodoxe kerkelijke gemeenten en evangelisaties, waar men probeerde de sociale conflicten in het spoor der naastenliefde te leiden.

Socialisme[bewerken]

Strokartonfabriek 'De Toekomst' te Scheemda, vóór restauratie
Schaftende landarbeiders, Nieuw-Scheemda, ca. 1955
Beginnende mechanisatie, Nieuw-Scheemda, ca. 1955

De bevolking van het Oldambt was tot ver in de twintigste eeuw voornamelijk werkzaam in de landbouw, al hebben ook de aardappelmeel- en strokartonindustrie aan de rand van het gebied een belangrijke rol gespeeld.

Al vroeg was er sprake van sociale onrust in de op het platteland, zoals stakingen van polderjongens en kanalengravers. Ongehuwde boerenknechten verplichtten elkaar soms tot het vragen van meer loon; onwilligen kregen daarbij te maken met repressailles. Zo werden in Noord- en Zuidbroek in de jaren 1870 dreigbrieven gevonden, terwijl men 's nachts aardbeien- en groentetuinen omschoffelde.

De socialistische arbeidersbeweging bereikte de landarbeiders in een aantal golven. In eerste instantie namen de socialisten deel aan de beweging voor algemeen kiesrecht, waarin ook veel vooruitstrevende boeren participeerden. Na 1890 volgde een radicalisering, waarbij vooral het vrij socialisme veel aanhang kreeg. In de winter van 1892 op 1893 leek het Oldambt aan de vooravond van een sociale revolutie te staan, met tientallen demonstraties, straatrellen, vernieling en brandstichting. Mede door het sturen van militairen en het bouwen van marechaussekazernes werd de rust hersteld. Vanaf 1901 begonnen ook de landarbeiders looneisen te stellen. Men ging dorpsgewijs onderhandelen en soms was dreigen met een staking niet genoeg.

Pas vlak voor de Eerste Wereldoorlog kregen de sociaaldemocratie en de 'moderne' vakbeweging voet aan de grond in het Oldambt. De landarbeiders lieten zich overtuigen dat ze lid moesten worden van krachtige organisaties, die zich ook op het parlementarie vlak manifersteerden. Organisaties die dankzij de opbrengst van contributie konden beschikken over een goedgevulde kas waarmee ze zo nodig stakingen konden ondersteunen. Vooral tijdens de Eerste Wereldoorlog groeide de invloed van de arbeidersbeweging. Na 1918 gingen de leefomstandigheden met sprongen vooruit, maar teleurstelling lag ook op de loer. Het algemeen kiesrecht bracht in elk geval niet wat men ervan verwachtte.

In 1919 volgde een eerste grote landarbeiderstaking, daarna nieuwe stakingen in 1921 en 1922, waaraan ook christelijke vakbonden deelnamen. De toenmalige malaise in landbouw en de strokartonindustrie maakte de boeren weinig toegefelijk. Daarbij kwam dat de arbeidersbeweging heftig verdeeld was. Met name in de oude bolwerken rond Finsterwolde, Beerta en Nieuweschans bleef men hopen op een sociale revolutie, waarvoor men zich nu vooral door het communisme en de Russische Revolutie liet inspireren. Pas in 1929 lukte het op één lijn te komen en gezamenlijke looneisen te stellen. De boerenorganisaties gaven echter niet toe, waarna een staking van vijf maanden uitbrak, waar op het hoogtepunt 5000 mannen en vrouwen aan deelnamen. Dankzij gunstige weersomstandigheden, voldoende werkwilligen en stemmingmakerij in de media slaanden de boeren erin de oogst tijdig binnen te halen. De vakbeweging nam genoegen met een mager compromis, wat weer tot nieuwe verdeeldheid leidde. Kort daarna brak de Grote Crisis uit, waardoor het perspectief op verdere loonsverhogingen verdampte. De landarbeidersstaking van 1929 sloeg een diepe kloof in de samenleving van de Oost-Groninger dorpen. Lange tijd bleven boeren en landarbeiders, stakers en werkwilligen elkaar soms vol rancune behandelen. Beide partijen waren er echter ook van overtuigd dat het conflict niet voor herhaling vatbaar was. Een grote staking in de strokartonindustrie in 1932 verliep eveneens teleurstellend.

De jaren dertig waren een periode van armoede in het Oldambt. Veel bijverdiensten vielen door de crisismaatregelen weg. Langdurig werklozen werden naar werkkampen gestuurd. Het nationaal-socialisme had weliswaar weinig aanhang, maar de rechtspopulistische boerenorganisatie Landbouw en Maatschappij des te meer. De landarbeiders stemden massaal op de SDAP, die echter nauwelijks mee mocht besturen. Ook de progressieve christelijke protestpartij CDU had veel aanhang.

De periode na de Duitse bezetting in 1940 kenmerkte zich vooral door gelatenheid; de gevoelens van verwantschap met Duitsland en de bewondering voro Hitler-Duitslands economische succes maakte dat men aanvankelijk dacht dat het allemaal niet zo'n vaart zou lopen. Het Oldambt kende al sinds de achttiende eeuw een omvangrijke joodse bevoking, die zich in Winschoten had geconcentreerd. De meeste van hen werden weggevoerd, weinigen doken onder; slechts een enkeling keerde terug. Ook de plaatselijke leiders van de communisten verdwenen naar concentratiekampen. Wel waren er enkele verzetsgroepen actief. De bevrijding van het Oldambt in 1945 werd uitgevoerd door Belgische (Belgisch Eskadron van de SAS), Canadese en Poolse militairen (Poolse 1e Pantserdivisie).

Na de Tweede Wereldoorlog kregen de communistische partij en de hiermee verbonden Eenheidsvakcentrale opnieuw veel aanhang in de oude bolwerken van het vrij socialisme, maar ook elders het Oldambt en in Pekela. De Koude Oorlog zorgde er echter voor dat de aanvankelijke sympathie voor het communisme en de Sovjet Unie snel verdampte. Finsterwolde bleef niettemin een communistisch bolwerk waar het onrustig bleef, zodat de regering in 1951 zelfs de gemeenteraad naar huis stuurde. In de meeste andere gemeenten nam PvdA een flink deel van de bestuursverantwoordelijkheid op zich. Deze partij was door toetreding van vrijzinnig-democraten en mensen met een kerkelijke achtergrond sterk gegroeid. Het Oldambt bleef een socialistisch bolwerk en de oude boerenelite moest zich daarbij aanpassen. Een groot deel van de inwoners profiteerde van de sociale woningbouw en andere verworvenheden van de verzorgingsstaat. Er kwamen nieuwe bedrijfstakken op, met name in de bouw en in de industrie van omliggende plaatsen. Veel jongeren trokken weg. De landbouw werd gemechaniseerd; de laatste landarbieders werden na 1970 opgevangen in werkverschaffingsprojecten. De herinnering aan de ongelijkheid uit het nabije verleden bleef echter nog lange tijd als een zwaard van Damocles boven de gemeentepolitiek hangen.

De erfenis van het communisme bleef aanvankelijk vooral merkbaar in de voormalige gemeente Reiderland. De NCPN droeg hier bestuursverantwoordelijkheid. In de nieuwe gemeente Oldambt is het vooral de Verenigde Communistische Partij die het protestgeluid laat horen.

Taal[bewerken]

In het Oldambt wordt een variëteit van het Gronings (Grunnegs) gesproken, die nauw verwant is met het Rheiderlander Platt. Beide zijn onderdeel van de streektaal Nedersaksisch en kenmerken zich door een Fries substraat. Tot het einde van de veertiende eeuw werd hier Fries gesproken. De verwantschap tussen de spreektaal van beide streken is versterkt door het Nederlands, dat tot de tweede helft van de negentiende eeuw ook in het Rheiderland gangbaar was.

Het Oldambtsters wordt door een groot deel van de autochtone bevolking gesproken. Het gebruik van het Gronings neemt af, waarbij er duidelijke verschillen per leeftijdsklasse, woonplaats en beroepsgroep zijn. Met name in de centrumplaats Winschoten is het Nederlands in opmars. Taalkundig onderzoek dat in het begin van de jaren tachtig onder scholieren werd uitgevoerd heeft laten zien dat de streektaal zich in de dorpen aan beide zijden van de Duits-Nederlandse grens het best handhaaft. Duitse toeristen en dagjesmensen die Winschoten bezoeken, worden vaak in het Duits te woord gestaan.

Een van de eerste woorden die nieuwkomers in het Oldambtsters leren, is de groet moi , die op elk tijdstip van de dag en zowel bij het komen als bij het gaan wordt uitgesproken. In de meeste dorpen is het gebruikelijk dat alle voorbijgangers op deze wijze gegroet worden. De uitroep moijeuh geldt als teken van verbazing.

Waterschap Oldambt[bewerken]

Oldambt was de naam van een waterschap dat een voortzetting vormde van het Termunterzijlvest en min of meer samenviel met de middeleeuwse grenzen van het Oldambt.

Classis Oldambt[bewerken]

De classis Oldambt (1595) was sinds de Reductie van Groningen de belangrijkste organisatie voor hervormde predikanten en kerkelijke gemeenten in Oost-Groningen, waartoe ook Westerwolde, Veendam, Pekela en een aantal Nederlande garnizoensplaatsen in Oost-Friesland behoorden. Hij ging in 1816 op in de classis Winschoten.

Trivia[bewerken]

  • De Oldambtrit is een bekende toertocht over natuurijs, sinds 1954 georganiseerd door de IJsvereniging Oldambt te Scheemda.
  • Het Oldambt werd gebruikt in de titel van verschillende kranten. De Oldambtster Courant was een weekblad dat tussen 1850 en 1864 in Wildervank werd uitgegeven, een politiek radicaal blad onder dezelfde titel verscheen vanaf 1888 in Winschoten. De Oldambtster was een nieuws- en advertentieblad voor Winschoten, Oldambt en Westerwolde dat tussen 1893 en 1925 meermalen per week in Winschoten verscheen. daarna werd het een weekblad.Goorecht-Oldambt was een nieuws- en advertentieblad dat tussen 1886 en 1908 twee maal per week in Sappemeer verscheen. De Oldambtster was van 1960 tot 1988 een wekelijks nieuws- en advertentieblad voor de gemeente Scheemda en als zodanig een voortzetting van de Scheemder Courant.
  • De Oldambtster herberg was een bekend hotel in Winschoten. Hotel Oldambt was de naam van hotels te Eexta (later Scheemda) en Termunten; De Twee Oldambten was een hotel te Oostwold. Het Oldambt kwam verder voor in de naam van verenigingen en bedrijven, waaronder een rederijkerskamer te Noordbroek. De Koninklijke Maatschappij tot Bevordering van de Geneeskunde had een spraakmakende afdeling Oldambt, opgericht in 1858. Bekend was ook de Rederijkersbond Oldambt en Westerwolde (1899). Verschillende verenigingen en politieke partijen hadden een afdeling Oldambt.
  • De naam Oldambt kwam vooral voor bij agrarische bedrijven en organisaties. Groenvoederdrogerij Oldambt is een voormalige landbouwcoöperatie, nu een besloten vennootschap te Oostwold, gesticht in 1950. De stoompluim van de fabriek is in de hele streek te zien. De Oldambtster Zuivelfabriek en Melkinrichting OZMI (1909-1994) was een toonaangevend bedrijf in Winschoten, dat melk uit de hele streek verwerkte. Oud-Oldambt te Scheemda (1935-1985) was een vereniging voor agrarische bedrijfsvoorlichting; de Vereniging Groot-Oldambt was eveneens een agrarische belangenorganisatie. Ook de Bond voor Werkgevers in het Landbouwbedrijf en de Christelijke Boeren- en Tuindersbond hadden een afdeling Oldambt.
  • Nieuw Oldambt is een grote boerderij te Kerkenveld bij Hoogeveen, gesticht in de negentiende eeuw door een Groningse landbouwer.
  • Radio Oldambt was een commercieel radiostation voor de regio Oldambt dat tussen 2004 en 2010 vanuit Winschoten uitzond

Zie ook[bewerken]

Externe links[bewerken]

Literatuur[bewerken]