Zeven Friese Zeelanden

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie

De Zeven Friese Zeelanden is de historische benaming voor de gebieden die door de Friezen werden bewoond. Het aantal van zeven kan daarbij zowel de betekenis van veel hebben als een precieze aanduiding van het aantal landen bedoelen. In de loop van de tijd hebben er meerdere opsommingen bestaan die tot zeven landen kwamen.

Achtergrond van het getal zeven[bewerken | brontekst bewerken]

De oudste verwijzing naar zeven is waarschijnlijk een mythologische verklaring van de oorsprong van de Friezen. Volgens deze mythe zou de oerstamvader van de Friezen zeven zonen hebben gehad die allen naar een eigen gebied zouden zijn uitgevaren. Deze gebieden lagen overigens niet in het latere Friesland maar in de kuststreek tussen het huidige Hamburg en de Deense grens.[bron?]

Verschillende opsommingen[bewerken | brontekst bewerken]

Het getal zeven komt in iedere lijst van Friese gebieden terug. Dat getal dwingt klaarblijkelijk om de opsomming aan te passen aan het getal. In de Middeleeuwen is sprake van veel meer dan zeven Friese gebieden, maar als ze als Zeelanden benoemd zijn, worden ze teruggebracht tot zeven. Daarbij worden overigens gebieden opgesomd die naar huidig inzicht nimmer Fries geweest zijn.

In 1417 worden de volgende zeven gebieden genoemd als Zeven Zeelanden:

  1. West-Friesland
  2. Westergo
  3. Oostergo
  4. Stellingwerven en Drenthe
  5. de Ommelanden en de Stad Groningen
  6. Oost-Friesland
  7. Butjadingen

Een andere indeling is:

  1. West-Friesland - tussen IJ en Vlie
  2. Westlauwers Friesland - tussen Vlie en Lauwers
  3. Oostlauwers Friesland - tussen Lauwers en Eems
  4. Oost-Friesland - tussen Eems en Jade
  5. Butjadingen - tussen Jade en Wezer
  6. Wursten en Hadeln - tussen Wezer en Elbe
  7. Dithmarschen - tussen Elbe en Eider

Drenthe, de Stellingwerven, Land Hadeln en Dithmarschen behoorden echter niet tot de Friese gewesten, maar werden in dit verband vooral genoemd vanwege hun sterke traditie van zelfbestuur.

Geen van deze lijsten noemt de districten of harden van Noord-Friesland, die ook een grote mate van autonomie hadden binnen het Koninkrijk Denemarken en het hertogdom Sleeswijk. Ook in Noord-Friesland hanteerde men het getal zeven, bijvoorbeeld bij de Siebenharden [de] die samen deel uitmaakten van de zogenaamde Uthlande of kustdistricten. De drie districten van het schiereiland Eiderstedt vormden een afzonderlijke eenheid.

De Friese gouwen en districten[bewerken | brontekst bewerken]

De Friese gouwen rond 1300

Los van de opsomming van Zeven Zeelanden zijn er uit de Middeleeuwen tientallen Friese gouwen bekend die grotendeels uit de Karolingse tijd dateren. Uit een handvol gouwen zijn rechtsteksten, met name bewerkingen van de 17 Keuren en 24 Landrechten bewaard gebleven. Deze gouwen staan soms onder meerdere namen bekend.

De oorspronkelijke gouwen werden later opgesplitst in kleinere eenheden of juist samengevoegd, vaak door het ontstan van nieuwe woongebieden op het hoogveen. Ook Saterland, een van de twee gebieden in Duitsland waar nog Fries wordt gesproken dateert uit deze periode. Het viel niet onder Oost-Friesland, maar onder het prinsbisdom Münster.

De historicus Bernard Slicher van Bath identificeerde een vijftigtal semi-autonome districten of kustrepubliekjes die zichzelf in de late middeleeuwen als "gemeenschappen" (universitas) betitelden. Daarbij telde hij nog niet de zelfstandige districten rond de Wezer- en de Elbemonding, die door Hollandse veenkolonisten waren gesticht en de kustdistricten (harden) van Noord-Friesland.

Nederland[bewerken | brontekst bewerken]

In het huidige Nederland lagen:

  1. West-Friesland (Geestmerambacht, Niedorperambacht, Hoogwouderambacht, Drechterland)
  2. Westergo
  3. Wildinge
  4. Zuidergo (niet op de bijgevoegde kaart)
  5. Oostergo
  6. Bornego, grotendeels samenvallend met Zevenwouden
  7. Westerkwartier, gevormd in 1594 uit de districten Vredewold, Langewold en Humsterland met het onderdistrict Middag
  8. Hunsingo
  9. Fivelgo (Fivelingo)
  10. Oldambt
  11. Reiderland (gedeeltelijk in Duitsland)

De grens tussen de huidige provincies Friesland en Groningen was in de middeleeuwen minder scherp afgebakend dan tegenwoordig. Zo vormden de district van het Westerkwartier (Humsterland, Langewold en Vredewold) één kerkelijk decanaat met Achtkarspelen, dat oorspronkelijk misschien bij het gouw Humsterland heeft gehoord. Smallingerland en Kollumerland traden in de 15e eeuw als zelfstandige districten op, maar werden later tot Oostergo gerekend.

Duitsland[bewerken | brontekst bewerken]

In het huidige Duitsland lagen achtereenvolgens van zuidwest naar noordoost de gouwen of districten:

  1. Rheiderland
  2. Moormerland
  3. Overledingerland
  4. Saterland
  5. Lengenerland (nu Uplengen)
  6. Auricherland
  7. Eemsgo (op de bijgevoegde kaart Emsigerland)
  8. Federgo (het noordelijke deel van de Krummhörn)
  9. Brookmerland
  10. Norderland
  11. Harlingerland (heerlijkheden Wittmund en Esens)
  12. Wangerland (noordelijk deel van Jeverland)
  13. Östringen (Jeverland rond Schortens)
  14. Rüstringen (Wilhelmshaven, Friesische Wehde, Butjadingen, Stadland en Landwürden)
  15. Land Wursten (daarnaast de voogdijen Bremerhaven-Lehe, Vieland en Stotel).

Van de niet-Friese landschappen met een verregaande mate van autonomie kunnen genoemd worden Osterstade, Land Hadeln, Land Kehdingen en Altes Land. Deze zogenaamde Marschländer namen vaak een voorbeeld aan de Friezen. Ook een handvol dorpen langs de Oste (ambt Neuhaus en kerspel Osten) was relatief zelfstandig. De dorpen rondom de steden Hamburg en Bremen konden eveneens tot op zekere hoogte hun eigen boontjes doppen. Daarentegen verloor het landschap Stedingen zijn autonomie in 1234, nadat een grote boerenopstand was neergeslagen.

Denemarken[bewerken | brontekst bewerken]

Binnen het koninkrijk Denemarken (nu Duitsland) lagen de volgende zelfstandige Friese districten (Landschaften), opgesomd in documenten uit de 15e eeuw:

  1. Eiderstedt
  2. Everschop
  3. Utholm
  4. Pellwormharde
  5. Beltringharde
  6. Wirichsharde
  7. Osterland Föhr
  8. Sylt
  9. Horsbüll- of Wiedingharde
  10. Bökingharde (met Kornkoog)

Westerland Föhr (met Amrum en List) viel direct onder de Deense kroon en had een beperktere vorm van autonomie, net als de zogenaamde Geestharden (Südergoesharde, Nordergoesharde en Karrharde). Verrgaande autonomie kregen ook een aantal nieuwe polders, aangelegd in de 17e en 18e eeuw (de zogenaamde octroierte Köge). Ook enkele niet-Friese Landschaften hadden een verregaande mate van zelfbestuur. In Holstein waren dat Krempermarsch, Wilstermarsch, Süderdithmarschen, Norderdithmarschen en Fehmarn (aan de Oostzee), in Sleeswijk ging dat om Stapelholm.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]