Anna Utenhoven

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Prent van Jan Luyken (ca. 1683-85)

Anna Utenhoven (Gent, 1552 - Vilvoorde, 1597), ook wel bij haar moedernaam Anneke Emels genoemd, was een doopsgezinde vrouw die veroordeeld werd voor ketterij. Zij werd op 45-jarige leeftijd levend begraven te Vilvoorde.

Na dertien jaar als dienstbode bij de gezusters Rampaerts, was Anneke naar Brussel getrokken. De pastoor van de Kapellekerk, François Elandt, kreeg haar weinig te zien. Toen haar moeder Goedele in december 1594 een beroerte kreeg en stervende was, riep niet Anneke maar Lambrecht Vasseur, bij wie de moeder inwoonde, de priester erbij. Kort daarop deed deze aangifte van ketterij. Op 21 december 1594 werd Anna gearresteerd en opgesloten in de Treurenberggevangenis. Ze weigerde haar geloof af te zweren en werd in januari 1595 veroordeeld door de officiaal van het aartsbisdom Mechelen. De wereldlijke overheid, die de straf moest uitspreken, talmde. Pas na herhaald aandringen van landvoogd Albrecht van Oostenrijk in eigen persoon trad procureur François van den Eede in actie. Op 18 juni 1597 vorderde hij dat Anna Utenhoven ter dood zou worden gebracht en haar goederen ten voordele van de landvoogd geconfisqueerd. Nog steeds weigerde Anneke haar geloof te herroepen. Ze bood aan om naar Holland te emigreren, maar dit werd haar door de Raad van Brabant geweigerd. Ze werd veroordeeld en op 19 juli 1597 naar de Haerenheyde (nu grondgebied Zaventem) gevoerd om levend te worden begraven. Met slechts haar hoofd nog boven de aarde weigerde ze een laatste keer zich te herroepen.

Daarmee was Anneke de laatste in een rij van protestantse martelaren die bijna 75 jaar eerder begonnen was met Hendrik Voes en Johannes van Essen. Na haar executie opteerden de autoriteiten ervoor om ketters te bestraffen met verbanning en zware geldboeten.

De terechtstelling van Anneke werd aangegrepen in de Republiek om tegen vredesonderhandelingen met de Spanjaarden te pleiten. In een pamflet van Jacob van de Vivere waarin haar dood wordt beschreven, wordt deze gevolgtrekking uitdrukkelijk gemaakt.[1] Ook in de Martelaersspiegel van Thieleman van Braght kreeg haar dood een voorname plaats.