Anna van den Hove

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Anna van den Hove (circa 1557[1] - Brussel, 19 juli 1597) was een doopsgezind dienstmeisje, dat als laatste in de Nederlanden vanwege haar geloof werd terechtgesteld.

Anna van den Hove was het laatste omgekomen slachtoffer van de geloofsvervolging in de 16e eeuw. De eerste slachtoffers waren Hendrik Voes en Jan van Essen, twee augustijner monniken die op 1 juli 1523 in Brussel in het openbaar werden verbrand. De geloofsvervolging die honderden doden tot gevolg had, veelal aangebracht door de Inquisitie, heeft in de Nederlanden dus bijna driekwart eeuw gewoed.

Anna was als dienstbode werkzaam bij een tweetal oudere, rijke zusters Anna en Catharina Rampaerts. Alle drie werden gearresteerd, echter alleen Anna van der Hove werd terechtgesteld, omdat zij haar geloof niet wilde verloochenen. De zusters Rampaerts werden vrijgelaten. Haar terechtstelling - zij werd levend begraven - leidde tot veel ophef. Haar lotgevallen werden in 1597 beschreven in Van een Jonghe Dochter, die binnen Brussel levendich gedolven is, om datse den Naem Jesu Christi heeft beleden.[2]

Waarschijnlijk werd Anna zo zwaar bestraft omdat aartshertog Albrecht van Oostenrijk, de nieuwe landvoogd van de Zuidelijke Nederlanden, een daad wilde stellen om zich te bewijzen.[1]