Arabisch-Normandische kunststijl

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De Tabula Rogeriana gemaakt door Muhammad al-Idrisi in opdracht van koning Rogier II
Koningsmantel van Rogier II, met een Arabische inscriptie en het islamitische jaartal 528 (1133-1134)
Interieur van het kasteel La Zisa in Palermo, lithografie 1830

De Arabisch-Normandische kunststijl (ook bekend als Arabisch-Normandische cultuur) is de naam voor de middeleeuwse kunststijl toegepast vanaf 1061 tot ongeveer 1250 op Sicilië. De kunststijl was een mengeling van christelijke en islamitische kunst en ontstond na de Normandische verovering van het Emiraat Sicilië.

Culturele vermenging[bewerken]

In het Sicilië van de Normandiërs kon het tot deze culturele vermenging, van Arabische en christelijke culturelen komen, doordat de Normandische heersende klasse relatief klein was. De ambachtslieden en de kunstenaars die de Normandische bouwwerken bouwden bestonden dus voornamelijk uit de Griekse, Romaanse en Arabische bevolkingsgroepen van vóór de Normandische veroveringen. Daarnaast lieten de Normandische koningen zich omringen door zowel Griekse als Arabische dichters, wetenschappers en adviseurs en stonden de koningen zeer tolerant tegenover de Arabieren:

Aanhalingsteken openen Zij [de moslims] werden goed behandeld en zij werden beschermd, zelfs tegen de Fransen. Daarom hadden zij een grote voorliefde voor koning Rogier.
Aanhalingsteken sluiten

Rogier II had Arabische soldaten in zijn leger en sprak vloeiend Arabisch. Hij gaf Arabische architecten opdracht tot het bouwen van kerken en paleizen. De tolerante houding ten opzichte van niet-christenen bleef in stand onder de andere Normandische koningen, onder wie Willem II, zoals blijkt uit de verslagen van de Spaans-Arabische geograaf Ibn Jubayr. Hij bezocht Sicilië in 1184 op de terugreis van zijn bedevaart naar Mekka. Tot zijn grote verbazing werd hij warm ontvangen door Normandische christenen en was een groot aantal ambtenaren islamitisch:

Aanhalingsteken openen De houding van de koning is werkelijk bijzonder. Zijn houding ten opzichte van moslims is perfect: hij geeft hun werk, hij kiest zijn officieren uit de moslimbevolking, en bovenal kunnen zij trouw blijven aan de islam. De koning heeft het volste vertrouwen in de moslims en vertrouwt op hen bij het afhandelen van kwesties, inclusief de belangrijkste, zijn kok is bijvoorbeeld een moslim [...] Zijn viziers en kamerheren zijn eunuchen, van wie er veel lid zijn van zijn regering en op wie hij vertrouwt in privézaken.
Aanhalingsteken sluiten

Ibn Jubayr noemt in zijn boek ook het gegeven dat veel christenen in Palermo zich kleden als moslims en Arabisch spreken. De registers van het koninklijke hof werden bijvoorbeeld in het Arabisch geschreven.

Architectuur[bewerken]

De Normandische architectuur op Sicilië werd door zowel de islamitische als de Byzantijnse architectuur beïnvloed. De meest herkenbare voorbeelden van deze bouwstijl zijn de kerkgebouwen en paleizen, waarvan er nog veel bewaard zijn gebleven, bijvoorbeeld:

Dichtkunst[bewerken]

Uit een vermenging van Normandische, Franse, Griekse, Arabische en Siciliaanse elementen ontstond de Siciliaanse dichterschool, de Scuola Poetica Siciliana. Deze dichterschool bestond uit een groep dichters aan het hof van keizer Frederik II rond 1220 tot 1250 en had invloed op latere Italiaanse dichters, onder wie Dante Alighieri.

Nasleep[bewerken]

De invloed van de Arabische cultuur op de Siciliaanse cultuur nam sterk af onder de heerschappij van de Hohenstaufen, die na 1198 de Normandiërs opvolgden als koningen van Sicilië. Koning Frederik I (1198-1250), tevens keizer van het Heilige Roomse Rijk, kreeg te maken met een opstand van de moslims in de omgeving van Palermo en Monreale. In 1222 begon hij aan een veldtocht om de orde te herstellen. Hij omsingelde de verblijfplaats van de opstandelingen en dwong hen om zich na twee maanden over te geven, waarna hij hun leider, Ibn-Abbad, in Palermo liet ophangen. Om toekomstige problemen te vermijden liet hij de moslims die zich niet wilden bekeren tot het christendom, overplaatsen naar de Apulische stad Lucera. Dit waren er ten minste 20.000. Lucera werd in 1300 op aandringen van de paus door koning Karel II van Napels vernietigd, waarbij de bewoners die zich nog niet hadden bekeerd tot het christendom werden verkocht als slaaf.

Zie ook[bewerken]