Arme mensen

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Arme mensen
uitgave van 1847
uitgave van 1847
Oorspronkelijke titel Бедные люди
Auteur(s) Fjodor Dostojevski
Vertaler A. Voogd
Land Rusland
Taal Nederlands
Oorspronkelijke taal Russisch
Genre roman
Uitgever G.A. van Oorschot
Uitgegeven 1968, onderdeel van de verzamelde werken deel I
Oorspronkelijk uitgegeven 1846
Pagina's 126
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Arme mensen (Russisch: Бедные люди) is de eerste roman van de Russische schrijver Fjodor Dostojevski uit 1846. Het is gegoten in de vorm van een briefroman

Inhoud[bewerken]

Leeswaarschuwing: Onderstaande tekst bevat details over de inhoud en/of de afloop van het verhaal.

De twee hoofdpersonen, Makàr Aleksejewitsj Dewoesjkin en WàrWara Aleksejewna Dobroselowa, zijn verre familieleden van elkaar. Ze wonen in Sint-Petersburg in een etagewoning met uitzicht op elkaars raam. Makar is het simpelst gehuisvest met een gedeeltelijk afgescheiden deel van de gemeenschappelijke keuken maar met een raam naar buiten. Aan dat venster is hij erg gehecht, want dat biedt uitzicht op Warwara. De twee bezoeken elkaar sporadisch maar schrijven elkaar bijna dagelijks over de gebeurtenissen in hun leven. De lezer ziet de twee langzaam in hun armoede afglijden naar mensonwaardige toestanden. Ze sturen elkaar over en weer geld, hoewel Makar roebels stuurt en Warwara kopeken. Makar werkt als schrijver bij de overheid, Warwara probeert de kost te verdienen als thuisnaaister. Juist als de problemen beide hoofdpersonen boven het hoofd groeien keert het tij maar slaat het noodlot toe. Makar maakt een tragische fout bij het overschrijven van een spoeddocument en moet voor ‘de excellentie’, zijn ambtelijke baas verschijnen. Deze ambtsdrager moet hem aanschouwen met kapotte laarzen en een aftands uniform, waarvan tijdens het gesprek een knoop afspringt. Hij geeft hem 100 roebel uit medelijden en daarmee zijn de grote financiële zorgen voor Makar meteen voorbij. Echter Warwara ziet geen uitweg meer om het huwelijksaanzoek van mijnheer Bykow niet te aanvaarden. Hij belooft haar bovendien terug te gaan naar het door Warwara geliefde platteland uit haar jeugd. Makar begrijpt dat de onmisbare correspondentie tussen hen tweeën hiermee voorgoed is beëindigd.

Thematiek[bewerken]

De schrijver maakt door de briefwisseling de lezer getuige van de bittere armoede van de twee hoofdpersonen. Beneden een bepaalde armoedegrens ziet de maatschappij de arme mens niet meer staan en verliest het individu zijn of haar waardigheid. Het individu verdwijnt in het niets. De lezer intussen krijgt al lezend bijna de neiging bijna 2 eeuwen later alsnog de portemonnee te trekken.[1]