Bösendorfer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Zie het artikel Voor het gelijknamige hoorspel, zie Bösendorfer (hoorspel).
Vleugel van Bösendorfer

Bösendorfer is een Oostenrijkse piano- en vleugelfabrikant. De fabriek is gevestigd in Wenen, waar ze in 1828 is opgericht. Bösendorfer heeft een bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van de piano.[bron?]

Geschiedenis[bewerken]

De firma werd op 25 juli 1828 door Ignaz Bösendorfer in Wenen opgericht, nadat hij als leerling bij Joseph Brodmann gewerkt had en zijn werkplaats overgenomen had. In korte tijd verwerft hij door de zuivere en prachtige klank van de instrumenten een goede reputatie, en krijgt in 1839 als allereerste pianobouwer van de Oostenrijkse keizer de titel 'k. u. k. (=kaiserlicher und königlicher) Hof- und Kammerklavierverfertiger'.

Wanneer hij in 1859 sterft, neemt zijn 24-jarige zoon Ludwig Bösendorfer de firma over. Met veel kundigheid leidt hij de firma verder en de instrumenten worden al snel over de hele wereld geëxporteerd. Franz Liszt, de in die tijd uitzonderlijke pianist, wiens spel tot dan toe iedere piano geruïneerd had, speelt voornamelijk op Bösendorfer, omdat deze instrumenten wel tegen zijn spel bestand zijn.

In 1870 betrekt de firma het gebouw aan de Graf-Starhemberg-Gasse, waar tegenwoordig nog steeds de laatste afwerking aan de piano's gedaan wordt. Twee jaar later wordt in de voormalige manage van het Paleis Liechtenstein aan de Herrengasse de zogenoemde Bösendorfer-zaal met zijn legendarische akoestiek ingewijd.

Opzien baarde in 1900 de Imperial-vleugel[bron?] met een toonomvang van acht octaven, van subcontra-C tot c5, die op aandringen van Ferruccio Busoni gebouwd werd. Met 290 cm was de „Imperial“ de langste in serie geproduceerde vleugel, totdat de firma Fazioli het model "308" op de markt bracht, en het is nog steeds de enige piano met 97 toetsen.

Ludwig Bösendorfer, die kinderloos blijft, verkoopt in 1909 de firma aan zijn vriend Carl Hutterstrasser. In 1913 wordt ondanks talrijke protesten[bron?] de Bösendorfer-Zaal aan de bouwspeculanten opgeofferd. Bij het einde van het afscheidsconcert verlaat het publiek zwijgend de akoestisch beste zaal van Wenen. Het gebouw wordt afgebroken, en bovendien blijft het terrein jarenlang onbebouwd.

De Eerste Wereldoorlog brengt de firma zware tegenslag, en in 1919 sterft Ludwig Bösendorfer. De productie komt maar zeer traag weer op gang. In 1931 worden de zoons van Carl Hutterstrasser, Alexander en Wolfgang, in de firma opgenomen, die in een OHG (Offene Handelsgesellschaft), wordt omgezet.

De Tweede Wereldoorlog brengt de volgende grote tegenslag. In 1944 brandt bij een bombardement de houtopslag af. Wanneer na de oorlog de eerste vaklui uit krijgsgevangenschap terugkeren begint moeizaam de hervatting van het bedrijf. Langzaam kan de productie begonnen en uitgebreid worden.

In 1966 wordt Bösendorfer een Aktiengesellschaft (nv), en wordt voor 100% door de firma Kimball-International uit Jaspers, Indiana in de VS overgenomen. Deze firma houdt zich bezig met houtverwerking in de breedste zin, ook het bouwen van piano's. Op den duur doet de bemoeienis van Kimball Bösendorfer geen goed. Weliswaar stijgt de productie en instrumenten worden naar de hele wereld geëxporteerd, maar managementfouten - te veel inspraak van de marketingafdeling en bedrijfseconomen, te weinig van de pianobouwers - leidden in de jaren 80 van de 20e eeuw tot een duidelijk kwaliteitsverlies terwijl de prijzen van de instrumenten exorbitant stegen.[bron?]

In 1973 wordt de afwerking voor het grootste deel in de nieuwe fabriek naar Wiener Neustadt verplaatst, en in 1983 wordt voor concerten een nieuwe Bösendorfer-zaal in het fabrieksgebouw in de Graf-Starhemberg-Gasse ingewijd.

In 2002 komt Bösendorfer weer in Oostenrijkse handen, de firma wordt door de Bawag-Unternehmensgruppe overgenomen. Na een turbulente tijd voor Bawag en haar overname door het US-Fonds Cerberus, wordt Bösendorfer weer te koop aangeboden.

In 2008 wordt Bösendorfer opgekocht door Yamaha. In de afgelopen tien jaar is de kwaliteit van de Bösendorfer piano's weer sterk verbeterd, en men hoopt dat Bösendorfer een eigenaar krijgt, die niet alleen in de naam geïnteresseerd is, maar ook in de voortzetting van de typisch Weense klankcultuur. Yamaha zegt dat zij dat zullen proberen te realiseren.[1]

Tot nu tot heeft Bösendorfer in zijn bestaan meer dan 50.000 instrumenten gebouwd[2], minder dan een tiende van wat de belangrijkste concurrent Steinway gebouwd heeft[bron?].

Modellen[bewerken]

Momenteel worden vleugelmodellen in de volgende lengtes gebouwd: 170, 185, 200, 214, 225 (Toonomvang subcontra F - c5), 280 en 290 cm (toonomvang subcontra C - c5).

Verder is een staande piano (pianino) met een hoogte van 130 cm leverbaar.

Conservatory Series[bewerken]

Om een grotere markt aan te spreken heeft Bösendorfer de Conservatory Series ontworpen voor conservatoria en universiteiten, die de standaard modellen niet konden betalen. Bij de fabricage van de CS serie besteedt men minder tijd aan "niet kritische gebieden", waardoor kosten gereduceerd worden, wat ze betaalbaarder maakt dan de standaard modellen.

Bijzonderheden[bewerken]

In tegenstelling tot andere fabrikanten betrekt Bösendorfer ook de kast van het instrument bij de toonvorming, door ook de kast van klankhout te maken. De typische Bösendorferklank is "zangerig", met bassen met een sterke grondtoon. Een goede Bösendorfer is tot vele klanknuances in staat en is vooral voor kamermuziek en begeleiding van zang, zowel klassiek als jazz, geschikt.

Tot aan de Eerste Wereldoorlog bouwde Bösendorfer ook vleugels met een zogenaamd Weens mechaniek, en vanaf het einde van de negentiende eeuw met verschillende soorten van het Engelse mechaniek, met een onderhamer.

De Computervleugel SE290[bewerken]

In 1985 werd een prototype van een computervleugel tentoongesteld. Dit instrument werd door de Amerikaanse ingenieur Wayne Stahnke in samenwerking met het Massachusetts Institute of Technology en de toenmalige eigenaar van Bösendorfer, Kimball International, Inc., ontwikkeld. Het werd in licentie van Stahnke vanaf 1986 als Bösendorfer SE290 te koop aangeboden. SE in het typenummer staat voor Stahnke Electronics, 290 voor de lengte van de vleugel. Totaal zijn 33 instrumenten van dit type gefabriceerd. Het instrument is met infrarood-sensoren uitgerust, die de eindsnelheid van de hamers van de 97 toetsen, het moment van aanslaan en loslaten van de toets, en de stand van de pedalen meten.

De daarbij verkregen gegevens over het spel worden aan een extern apparaat, ze zogenoemde Blackbox gevoerd. Deze Blackbox is met een PC verbonden, waar de data met een speciale editor bewerkt kunnen worden. De op de PC opgeslagen dan wel bewerkte data kunnen weer op de vleugel door een met magneetspoelen aangedreven mechaniek weer afspelen. De Blackbox bevat daarbij een MIDI-aansluiting. Het instrument wordt enerzijds als componeerhulp gebruikt, en anderzijds als instrument voor reproductie. Zo kan bijvoorbeeld een pianist met zichzelf een stuk voor vier handen spelen; hij speelt eerst de ene partij in, en laat die vervolgens door de computer afspelen, terwijl hij de tweede partij speelt. Ook is het mogelijk dat een pianist ergens op de wereld op de computervleugel een concert geeft, en de data op een andere computervleugel op een andere plaats afgespeeld worden, waar deze laatste dan alleen speelt.

Intussen is het systeem met medewerking van de Technische Universiteit Wenen aanzienlijk verder ontwikkeld, en is onder de aanduiding "CEUS" voor alle vleugelmodellen, ook voor inbouw naderhand, verkrijgbaar. Het is momenteel het uitgebreidste en beste systeem in zijn soort.

De typische Bösendorfer-klank is inmiddels door verschillende ondernemingen ook als geluidssample in digitale vorm voor elektronische muziekproductie uitgebracht.

Toonzaal van Bösendorfer
aan de achterkant van de Musikverein in Wenen

Bekende pianisten op Bösendorfer[bewerken]

Externe links[bewerken]