Biomateriaal

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search

Biomateriaal wordt in twee betekenissen gebruikt:


  • een materiaal dat van een levend wezen afkomstig is. Voorbeelden zijn hout, rubber, hennep, hoorn, ivoor. Biomaterialen zijn dikwijls anisotroop: ze hebben nerven of iets dergelijks en vertonen in die richting andere eigenschappen. De materialen zijn dikwijls niet homogeen en de eigenschappen variëren sterk van exemplaar tot exemplaar. Stofeigenschappen zijn niet betrouwbaar op te geven, enkel richtwaarden. Daar staat tegenover, dat biomaterialen dikwijls goedkoop zijn en soms over zeer goede eigenschappen beschikken in vergelijking met kunstmatige materialen.
  • een materiaal dat compatibel is met levende organismen. De belangrijkste toepassingen zijn medische implantaten en prothesen, maar ook medisch gereedschap moet uit geschikte materialen gemaakt worden.

Typische biomaterialen in de tweede betekenis zijn: