Bodemtextuur

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Bodemtextuur, in de bodemkunde meestal kortweg textuur genoemd, is de korrelgrootte-samenstelling van de verschillende soorten grond. Men onderscheidt de volgende korrelgroottefracties:

  • grind en stenen (alle delen > 2 mm)
  • zand (60 µm - 2 mm)
  • silt of stof (2 µm - 60 μm) en
  • klei of lutum (< 2 μm).
Textuurdiagram (clay = klei, sand = zand, loam = leem)

Op basis van zijn specifieke plaatselijke structuur wordt grond in meerdere textuurklassen onderverdeeld. Deze indeling berust op de verschillen in korrelgrootte-samenstelling van de verschillende bodemfracties ter plekke. Daarbij wordt het massa-percentage van iedere bodemfractie bepaald ten opzichte van de gezamenlijke in de grond aanwezige minerale bodemmassa. De in de bodem aanwezige organische stof wordt in deze berekening buiten beschouwing gelaten. De Nederlandse textuurclassificatie van rivier- en zeekleigronden gaat vooral uit van het klei- ("lutum") gehalte van de bodem (dus de relatieve grootte van de kleifractie). Bij bodemmateriaal met een kleigehalte < 8 % (met name van eolische herkomst) wordt in Nederland ook gebruik gemaakt van de indeling naar het gehalte aan leem (de bodemfractie < 50 μm). In internationale systemen gebruikt men vaak een andere indeling.

De bodemtextuur kan men bepalen met de zogeheten textuurdriehoek of textuurdiagram. Internationaal gebruikt men meestal de textuurdriehoek zoals in de afbeelding hiernaast.

Literatuur[bewerken]

  • Bakker, H. de en J. Schelling, 1966. Systeem voor de bodemclassificatie voor Nederland, de hogere niveaus. Pudoc, Wageningen.
  • FAO, 1977. Guidelines for Soil Profile Description, FAO, Rome.