Bridge (kaartspel)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen

Bridge is een kaartspel dat valt onder de noemer 'denksporten'. In bridge (ook wel wedstrijdbridge of duplicate bridge genoemd) is de factor geluk zo veel mogelijk uitgeschakeld als uitkomstbepalend. Het spel vereist concentratie, logisch denken, geheugen, en goede samenwerking tussen partners.

Bridgetafel met biedboxen (biedingen worden gedaan door kaartjes neer te leggen) en het bord waarin de 4×13 kaarten worden opgeborgen.

Het spel wordt gespeeld met – per tafel – vier personen en 52 speelkaarten. Iedere speler krijgt 13 kaarten. De spelers worden aangeduid met de windrichtingen: Noord, Oost, Zuid, en West. Noord en Zuid spelen samen en vormen een paar; zij spelen tegen Oost en West, die ook samenspelen en een paar zijn. Een paar kan ad hoc gevormd worden, maar veel bridgers hebben vaste partners met wie ze jaren samenspelen. Zo leren ze elkaar begrijpen en vertrouwen; onmisbaar om goed te kunnen bridgen.

Een bridgespel bestaat uit twee delen: het bieden en het spelen. Het bieden lijkt op een veiling bij opbod (Engels: auction). Het hoogste bod wordt het 'contract' en bepaalt de kaders voor het spelen: welke kleur troef is, en hoeveel slagen de bieders van het contract beloven te halen. Tijdens het spelen proberen de bieders van het contract dit aantal slagen te halen, en de tegenstanders proberen dit te saboteren door samen ook zo veel mogelijk slagen te halen. Na 13 slagen resulteert dit in een (ruwe) puntenscore.

Het doel van bridge is om meer punten te scoren dan andere spelers die exact hetzelfde spel speelden. Doordat bridge vergelijkt tussen situaties waarin spelers exact dezelfde verdeling van 52 kaarten hebben, wordt de geluksfactor geëlimineerd. In bridge bestaat er dus niet zoiets als 'goede' of 'slechte' kaarten; het gaat om wat je doet met die kaarten. Mede daarom behoort bridge tot de denksporten, zoals schaken en go, en niet tot de kansspelen.

Bridge als sport[bewerken | brontekst bewerken]

Bridge is afgeleid van whist, een kaartspel dat ontstaan is in de 17de eeuw en erg in de mode was bij de Engelse adel van die tijd.[1]

Over de hele wereld spelen meer dan 50 miljoen mensen bridge. De spelregels zijn in ieder land ter wereld hetzelfde. Zoals in iedere grote sport zijn er internationale toernooien, kampioenschappen en topspelers over de hele wereld.

In Nederland zijn meer dan 100.000 mensen lid van de Nederlandse Bridge Bond, die na de Amerikaanse de grootste bridgebond ter wereld is. Er zijn meer dan 1000 clubs bij de bond aangesloten, maar er zijn ook veel gezelligheidsverenigingen die zelfstandig bridge beoefenen. In Nederland wordt bridge tegenwoordig vooral door ouderen gespeeld, maar van origine was het een studentensport. Het heeft ook altijd officiële jeugdcategorieën gekend (tot 25 jaar), zowel in Nederland en België als in de rest van de wereld. De sterkste spelers zijn bovendien gemiddeld veel jonger dan het totale speelveld.

Nederland draait mee in de internationale top. Tijdens de Wereldkampioenschappen bridge 2011, die in het Nederlandse Veldhoven werden gehouden, won het Nederlandse open team voor het laatst de Bermuda Bowl (het wereldkampioenschap viertallenbridge). Hier werden de Nederlands vrouwen derde in de Venice Cup, de vrouwelijke tegenhanger van de Bermuda Bowl. De laatste gouden medaille voor de dames was in 2000. Maar ook op Europees niveau en in de paren slepen en sleepten Nederlandse teams veel medailles in de wacht. Zo ook bij de jeugd, die op vrijwel ieder WK en EK meerdere podiumplaatsen verovert. De laatste wereldtitel viertallen voor de junioren (open tot 25 jaar) was in 2014, en voor de 'meisjes' (vrouwen tot 25 jaar) in 2016.

Het spel in het kort[bewerken | brontekst bewerken]

De spelregels van bridge zijn relatief eenvoudig. Kort samengevat zijn dit de stappen:

  • Het spel wordt gespeeld door 4 spelers, verdeeld in 2 paren, gezeten in een kring met de spelers van de paren tegenover elkaar. De spelers zijn na elkaar aan de beurt met de klok mee.
  • Gespeeld wordt met een volledig spel van 52 kaarten (geen jokers) dat verdeeld wordt over de vier spelers, zodat iedere speler 13 kaarten heeft. Eén spelletje bestaat uit twee fasen: eerst het bieden en dan het spelen.
  • Het bieden start bij de gever en gaat met de klok mee. Ieder bod moet hoger zijn dan het vorige. Het bieden eindigt als allen direct passen of als na een bod driemaal gepast wordt.
  • Dit hoogste bod heet het (eind)contract en duidt aan welke kleur troef is (♣///♠/geen troef) en hoeveel slagen gehaald moeten worden door het paar dat het geboden heeft. De speler van dit paar die als eerste de speelsoort heeft geboden wordt de 'leider' (declarer), zijn partner wordt 'dummy'.
  • Het spelen start met de uitkomst: de speler links van de leider (Engels: de leader) speelt de eerste kaart. Na de uitkomst legt de dummy zijn kaarten open op tafel.
  • De leider geeft bij iedere slag aan welke kaart de dummy speelt. De dummy speelt dus niet meer zelf en mag alleen doen wat de leider zegt.
  • Bekennen moet. Als een speler de gevraagde kleur niet heeft, heeft hij vrije keus: hij mag troeven of een andere kleur bijspelen.
  • De hoogste kaart wint de slag en de speler van deze kaart moet voorspelen in de volgende slag.
  • Als alle 13 slagen gespeeld zijn, wordt aan de hand van het aantal slagen dat de leider gemaakt heeft, de puntenscore berekend.

De volledige internationale spelregels zijn wel behoorlijk uitgebreid, maar behandelen met name wat er moet gebeuren als er iets fout gaat. Dus als bijvoorbeeld een speler biedt of speelt als hij niet aan de beurt is, een bod doet dat lager is dan het vorige, hij een kaart mist of te veel heeft, enzovoorts.

Een heel belangrijke spelregel is dat informatie alleen door middel van het bieden en het spelen zelf mag worden uitgewisseld en niet op een andere ongeoorloofde manier. Voorbeelden van ongeoorloofde informatie (OI) zijn het gebruikmaken van gebaren, geluiden, speelsnelheid, de manier van neerleggen van de kaarten, overtredingen, commentaar tijdens het spelen, etc. etc. Door het gebruik van 'biedboxen' en (in officiële toernooien) zogenoemde 'schermen' wordt de uitwisseling van OI tegengegaan.

Het bieden[bewerken | brontekst bewerken]

Het doel[bewerken | brontekst bewerken]

Via het bieden communiceren de spelers met hun partner over hun verdeling (het aantal kaarten per kleur) en hun kracht (de hoogte van hun kaarten). Uiteindelijk probeert ieder paar het beste contract te bereiken: het contract waarmee ze het hoogste aantal punten denken te halen. In de puntentelling wordt hoog bieden beloond met bonuspunten voor een 'manche' of een 'slem'. Vanwege die bonuspunten is het bieden altijd gericht op het onderzoeken of een manche of slem mogelijk is. Óf op het saboteren van de tegenstanders in die zoektocht, bijvoorbeeld door snel hoog te bieden.

Verder maakt de puntentelling onderscheid tussen de verschillende kleuren. Zo zijn bijvoorbeeld de hoge kleuren, harten en schoppen, meer waard dan de lage kleuren, klaveren en ruiten. Ook hoeven er in de hoge kleuren minder slagen gehaald te worden om de manchebonus te verdienen. Dit maakt dat het bieden veel sterker gericht is op het troef maken van een hoge kleur dan een lage kleur.

Biedbox en speelkaarten

De biedkaarten[bewerken | brontekst bewerken]

Bieden wordt gedaan door het leggen van een biedkaartje uit de 'biedbox' of 'bidding box': een bak met biedkaartjes zoals op de foto hiernaast. Vroeger bood men mondeling, maar dit gaf veel ruimte voor ongeoorloofde informatie. Bovendien moet je dan alle biedingen onthouden. De biedbox is inmiddels de standaard, zelfs op de gezelligheidsverenigingen.

Een bod bestaat uit een getal (minimum 1 en maximaal 7) en een speelsoort. De speelsoort is een van de vier kleuren (♣///♠) of sans atout (zonder troef). Het getal betekent het aantal slagen boven 6 slagen die gehaald moeten worden als het bod het contract wordt. Een bod geeft dus minimaal 7 (1+6) en maximaal alle 13 (7+6) slagen aan.

De volgorde van de speelsoorten is reglementair vastgelegd en is, van laag naar hoog:

  • klaveren (♣)
  • ruiten ()
  • harten ()
  • schoppen (♠)
  • sans atout (SA of NT), in spreektaal ook wel afgekort tot 'sans'. (NT staat voor 'no trump' en kom je in Nederland alleen in geschrift tegen.)

Naast een bod doen (het bieden van een speelsoort) is het ook mogelijk om te passen (P), doubleren (X) of redoubleren (XX). Passen betekent meestal niets. Het doublet en het redoublet zijn speciale biedingen die de punteninzet verhogen (ongeveer verdubbelen resp. verviervoudigen).

  • Een doublet kan alleen gedaan worden op een bod van de tegenpartij en betekent traditioneel "Ik denk niet dat de tegenstanders halen wat zij geboden hebben".
  • Een redoublet kan alleen gedaan worden op een doublet van de tegenpartij en betekent traditioneel "ik denk dat wij wel halen wat wij geboden hebben, ook al denkt de tegenpartij van niet". Een redoublet komt zelden voor.

Elk doublet of redoublet wordt weer opgeheven door een nieuw bod. Het blijft dus alleen 'staan' als er direct na het (re)doublet drie keer opeenvolgend gepast wordt.

Het biedverloop[bewerken | brontekst bewerken]

  • Startend bij de gever moet iedere speler op zijn beurt een bieding doen. Een bieding is een bod (een speelsoort bieden), een pas of een (re)doublet.
  • Als een speler een bod doet, moet dat hoger zijn dan het vorige bod. Hoger wil zeggen of een hoger aantal (bijvoorbeeld 2♣ is hoger dan 1SA), of hetzelfde aantal met een hogere speelsoort (bijvoorbeeld 1♠ is hoger dan 1). Het laagste bod is dus 1♣ en het hoogste bod is 7SA. Behalve het bovenstaande, en de regels voor (re)doubleren, zijn er geen restricties aan wat je mag bieden. Je mag dus bijvoorbeeld gewoon passen en een biedronde later een bod doen, of iedere ronde een bod doen, of alleen maar passen, of doubleren en later weer bieden, etc. etc. etc.
  • Het bieden is afgelopen als er drie spelers na elkaar passen. De enige uitzondering hierop is de eerste biedronde: als het bieden begint met drie keer pas, komt de vierde speler wel gewoon aan de beurt. Past die ook – begint het spel dus met vier keer pas – dan heet dat een 'rondpas' en is er geen speelronde.
  • Het hoogste bod wordt het contract van het spel. Het paar dat dit contract heeft geboden (leider en dummy) zal proberen minstens zes slagen te maken plus het genoemde aantal. Is er bijvoorbeeld 4♠ geboden, dan moeten er dus tien slagen worden gemaakt met schoppen als troef. De tegenstanders ('verdedigers') zullen proberen dit te verhinderen door zelf zo veel mogelijk slagen te maken.

De betekenis van biedingen[bewerken | brontekst bewerken]

De spelregels geven geen enkele beperking aan de betekenis van een bieding. Een bridgepaar mag hierover dus in beginsel alles afspreken wat ze wil! De meeste paren spelen echter een standaard biedsysteem aangevuld met extra afspraken, zogenoemde biedconventies. Verder kan een club of wedstrijdorganisatie bepalen dat bepaalde afspraken niet toegestaan zijn, zoals de hoogst ongebruikelijke methoden.

Zie de hoofdartikelen over deze onderwerpen om meer te leren over biedsystemen en -conventies.

Het spelen[bewerken | brontekst bewerken]

Een bridgespel tijdens het uitspelen, gezien vanuit het zichtpunt van de leider. Zijn linker tegenstander is uitgekomen met harten zeven, en de dummy ligt open op tafel.

Na het bieden wordt het spel gespeeld. Het paar dat 'afspeelt' (of 'speelt') is het paar dat het contract geboden heeft en het gaat proberen te maken. Het andere paar gaat 'tegenspelen' en probeert dit te beletten door zelf zo veel mogelijk slagen te halen.

  • De speler van het spelende paar, die als eerste de speelsoort van het contract geboden heeft, heet de leider.
  • De tegenstander links van de leider komt uit voor de eerste slag. Vervolgens wordt de dummy opengelegd en met de klok mee door iedere speler een kaart gespeeld.
  • In iedere slag moet bekend worden, dus de bij de uitkomst gevraagde kleur moet gespeeld worden. Als een speler die kleur niet meer heeft, mag hij troeven of overgetroeven, maar dat is niet verplicht.
  • De slag wordt gewonnen door de speler die de hoogste kaart van de gevraagde kleur heeft gespeeld, tenzij er is getroefd: in dat geval wint de hoogste troef. De volgorde van de kaarten van hoog naar laag is AHVBT98765432 (T staat voor de 10).
  • Alle spelers nemen hun eigen kaart terug en leggen die dicht voor zich neer: verticaal als hun paar de slag won, en horizontaal als hun paar de slag verloor.
  • De speler die de vorige slag gewonnen heeft, moet nu voorspelen (de eerste kaart leggen) in volgende slag.
  • Dit gaat zo door totdat alle 13 slagen gespeeld zijn. Dan wordt gezamenlijk bepaald wat het eindresultaat is en wordt dit genoteerd of ingevoerd in de bridgemate.

Slagen dichtleggen[bewerken | brontekst bewerken]

Het dichtleggen van de slagen is kenmerkend aan bridge. In andere slagenspelen worden de kaarten doorgaans verzameld door de winnaar van de slag. Bij bridge pakt iedere speler zijn eigen kaart op en legt deze dicht voor zich neer: verticaal als hun paar de slag won, en horizontaal als hun paar de slag verloor. Alle slagen worden op die manier neergelegd, in een rijtje van links naar rechts, half op elkaar gestapeld (zoals dakpannen).

Dit heeft veel voordelen. Door de richting van neerleggen kan men aan het eind van het spel zien hoeveel slagen elke partij gehaald heeft. Op basis van de volgorde kan ook het hele spelverloop gereconstrueerd worden, wat heel belangrijk is bij bijvoorbeeld vermoeden van een overtreding. En doordat de kaarten bij dezelfde speler zijn gebleven, kunnen ze teruggestoken worden in het spel en kan dit spel aan een andere tafel gewoon weer gespeeld worden.

De dummy[bewerken | brontekst bewerken]

Bijzonder bij bridge is dat de leider bepaalt welke kaarten zijn partner speelt. Na de uitkomst, dus als de linker tegenstander van de leider gespeeld heeft in de eerste slag, legt de partner van de leider (de dummy) al zijn kaarten op tafel, zodat ze voor alle spelers goed zichtbaar zijn. De leider speelt zowel de kaarten van zijn eigen hand als de kaarten van de dummy. De dummy is gedurende het spelen dus niet actief bij het spel betrokken; hij mag enkel de kaarten hanteren op instructie van de leider.

Spelregels[bewerken | brontekst bewerken]

De spelregels van het bridge zijn op wereldniveau vastgesteld en gelden in principe over de hele wereld.

Officiële wedstrijden worden geleid door een arbiter, die in actie komt wanneer onregelmatigheden geconstateerd worden. Voor sommige situatie bestaan vaste procedures, maar in veel gevallen heeft een arbiter diepgaande kennis en begrip van het spel en de situatie nodig om een juiste beslissing te nemen. Er bestaan dan ook arbiters van verschillende niveaus.

Scores en wedstrijdvormen[bewerken | brontekst bewerken]

Scores in bridge: algemeen[bewerken | brontekst bewerken]

Spellenkoffer met spellen voor een B-lijn

Op de standaard bridgeclub, en natuurlijk bij toernooien, speelt men 'wedstrijdbridge' (in Nederland gewoon 'bridge' genoemd). Hierbij spelen meerdere tafels dezelfde spellen. De meeste clubs spelen in lijnen van 6 tot 8 tafels, met 24 spellen per zitting. De puntenscores van ieder spel worden onderling vergeleken.

Het vergelijken van de puntenscores kan doordat steeds andere spelers met dezelfde kaarten spelen, dus zonder dat de kaarten opnieuw geschud en gedeeld worden. De slagen worden niet, zoals bij veel andere kaartspellen, door de winnaar van de slag ingezameld, maar elke speler houdt zijn eigen kaarten bij zich. Nadat een spel gespeeld is worden de kaarten, vier stapeltjes van 13, teruggestoken in hun oorspronkelijke vakje in het 'board'. Dit board wordt naar een andere tafel gebracht met vier andere spelers. Die spelen het spel opnieuw, en zo verder. Bij grotere wedstrijden worden de spellen 'gedupliceerd', waarbij de computer via een schudmachine dezelfde verdelingen van kaarten in meerdere boards stopt. Op die manier kan hetzelfde spel op meerdere tafels tegelijk (en dus vaker) gespeeld worden.

De score op ieder spel wordt pas aan het eind van de wedstrijd bepaald, wanneer ieder spel meerdere keren gespeeld is. Degenen die op een spel meer punten haalden dan anderen op datzelfde spel, krijgen op dat spel een positieve score, en vice versa. Het toevalselement van hoe de kaarten verdeeld worden is op die manier geëlimineerd. Het enige wat dus je score bepaalt, is wat jij doet met je kaarten (in vergeleking met wat anderen doen).

Wedstrijdvormen[bewerken | brontekst bewerken]

De precieze berekening van de score verschilt per wedstrijdvorm. De meest voorkomende wedstrijdvormen zijn de volgende:

  • Paren: Hierbij worden de puntenscores van alle Noord-Zuid-paren geordend op een lijst. Die rangorde wordt omgerekend naar een percentage: de laagste score haalt 0%, de hoogste 100%, de middelste 50%, enzovoorts. Oost-West krijgt uiteraard het tegenovergestelde (dus 100% als N-Z 0% heeft, etc.)
  • Viertallen: Hierbij speelt men met een vast nevenpaar, waarmee je een team vormt van vier spelers. Het nevenpaar speelt altijd op een andere tafel hetzelfde spel, maar in de andere richting. Bijvoorbeeld: het ene paar speelt spel 1 op tafel 1 NZ; dan speelt het nevenpaar spel 1 aan tafel 2 OW. De scores die beide paren op een spel halen, worden vergeleken, en het verschil wordt volgens een conversietabel omgezet naar een score in 'IMP'en' (international match points). De totale IMP-score over een wedstrijd wordt weer geconverteerd naar een score in VP's (victory points). Bij iedere conversie worden de kleine verschillen tussen ruwe puntenscores genivelleerd, waardoor uiteindelijk alleen de wezenlijke verschillen bepalen wie de wedstrijd wint.
  • Butler: Het spelen gebeurt in paren, maar de scoreberekening is zoals bij viertallen. In plaats van dat je vergelijkt met een nevenpaar, zet je je eigen score af tegen de gemiddelde score van alle andere paren in de andere windrichting (de 'datumscore'). Het verschil converteer je weer naar IMP'en.

Tactiek per wedstrijdvorm[bewerken | brontekst bewerken]

Doordat de scoreberekening verschilt per wedstrijdvorm, heeft ook iedere wedstrijdvorm zijn eigen tactiek. Hoe beter de bridger, hoe meer rekening hij hiermee kan en zal houden.

In een parenwedstrijd kan elk puntje belangrijk zijn. Iedere ruwescorepunt kan je immers op een andere plek in de ranglijst plaatsen. Overslagen zijn daarom enorm belangrijk. In een viertallenwedstrijd daarentegen zijn het vooral de 'grote' spellen die de score bepalen: degenen waarin net wel of niet een manche of slem gehaald kan worden. De bonus hiervoor is namelijk zo hoog dat die een groot puntenverschil veroorzaakt. In viertallen zal men dus sneller de manche bieden, ook als die niet eens 50% kans heeft. En in het af- en tegenspel is het belangrijkste om het contract te halen resp. down te spelen. Een leider zal koste wat kost proberen het contract te maken, ook als hij er overslagen voor moet opgeven, of meer downslagen haalt als het fout gaat. Bij paren kan daarentegen elke slag de beslissende zijn.

Verklarende woordenlijst[bewerken | brontekst bewerken]

Troef:SA    Blokkade: nadat Zuid ruitenaas heeft gespeeld, zijn de vrije ruiten van Noord onbereikbaar. Hij maakt verder geen slag meer, tenzij hij een ingooi gebruikt.

 Ingooi: Zuid speelt ruitenaas en daarna schoppen. West komt tegen zijn zin aan slag en moet de vrije ruiten aanspelen.

HVB10
A
A
532
3 987
HV
A
Bekennen
een kaart bijspelen van dezelfde kleur als er werd voorgespeeld. Dit is verplicht, tenzij men niet kan bekennen.
Bieden
de eerste fase van het spel, voordat de kaarten op tafel komen.
Bieding
het noemen van een bod, doublet, redoublet of pas. Een bieding is niet noodzakelijk een bod.
Biedkaarten, biedbox
om te vermijden dat partners door intonatie informatie uitwisselen, wordt tegenwoordig vaak geboden door een kaartje neer te leggen. Bovendien is daardoor nadien precies zichtbaar hoe er geboden is.
Biedronde
iedere keer dan alle vier de spelers hebben geboden.
Biedverloop
het totaal aan biedingen/biedronden. Een biedverloop bestaat uit minimaal één biedronde en kan in de praktijk oplopen tot langere biedverlopen van wel zes tot tien biedronden (of meer). (Voor de geïnteresseerden: het theoretische maximum aantal biedronden is 80. Maar dit kan nooit in het echt voorkomen).
Blokkade
situatie waarin een speler een hoge singleton heeft, zodat hij gedwongen is een slag te nemen, waarna de vrije kaarten van partner onbereikbaar zijn.
Bod
het noemen van het aantal te maken trekken en de speelsoort. Elk bod is een bieding.
  • Openingsbod
    het eerste bod. Zie ook bieding en bod.
    Preëmptief bod
    een tamelijk hoog bod, dat wordt gedaan om de tegenpartij het bieden moeilijker te maken. Men neemt daarbij het risico down te gaan, maar dat is waarschijnlijk minder erg dan het mooie contract dat de tegenpartij kan spelen.
    Volgbod
    een bod (of doublet) nadat de tegenpartij geopend heeft.
    Bijbod
    het eerste bod van de partner van degene die het openingsbod deed.
    Steunen
    een kleur bieden die de partner geboden heeft.
    Redbod
    een bod dat hoger is dan het naar verwachting maakbare contract dat de tegenpartij heeft bereikt. Niet al te veel down gaan in een gedoubleerd redbod kan voordeliger zijn dan dat men de tegenpartij zijn contract laat spelen.
    Forcing
    een bieding waarop de partner volgens de conventie niet mag passen, en dat dus niet geboden wordt om te spelen.
    Relay
    bod dat geen informatie geeft en ook geen eindcontract voorstelt, maar slechts dient om partner meer gelegenheid te geven zijn hand te vertellen. Een relay is forcing.
Blinde of dummy
de partner van de leider. Hij legt al zijn kaarten open op tafel en de leider wijst aan wat hij moet spelen.
Boekje
de eerste zes slagen. Ze worden bij de bieding en de puntentelling niet meegeteld.
Claimen
niet verder spelen, omdat het verdere spelverloop duidelijk is.
Constructief vs. destructief bieden
Het doel van het bieden is het contract te spelen dat het beste scoort. Dat is het contract dat de meeste punten oplevert óf het minste aantal punten kost. Onder constructief bieden wordt verstaan 'het zoeken naar het contract dat de hoogst verwachte positieve score oplevert'. Destructief bieden heeft tot doel te voorkomen dat de tegenstanders het goede contract vinden, waarbij down gaan voor lief wordt genomen; het doel is om minder minpunten te scoren door zelf down te gaan, dan wanneer het andere paar zijn contract maakt. Constructieve biedingen proberen de biedruimte zo efficiënt mogelijk te gebruiken, terwijl destructieve biedingen juist proberen deze zo effectief mogelijk weg te nemen.
Contract
het aantal trekken en de speelsoort, gedoubleerd of niet, zoals dat tijdens de bieding is vastgesteld.
Controle
een hoge kaart in een kleur die voorkomt dat de tegenpartij veel slagen in die kleur kan oprapen zonder dat de eigen partij eerst aan slag wordt gebracht. In een troefcontract gelden korte kleuren (singletons en renonces) ook als controles.
Conventie
een bieding of gespeelde kaart met een specifiek afgesproken, niet-natuurlijke betekenis, een boodschap aan de partner. Conventies mogen niet geheim zijn, de tegenpartij kent de betekenis dus ook.
Deelscore
Elk contract lager dan de manche. Dat zijn dus 1♣-3♠, 4♣ en 4.
Dekken
een hogere kaart bijspelen.
Doubleton
iemand heeft een doubleton als hij precies twee kaarten in die kleur heeft. Zie ook singleton en renonce.
Down
minder slagen (downslagen) dan volgens het contract nodig is, zodat het contract verloren is.
Downslag
elke slag die men tekortkomt om aan het contract te voldoen. Men zegt "er zijn drie downslagen" of "het contract ging drie down". Zie ook down.
Duiken, zakken
een lagere kaart bijspelen dan reeds in de slag gespeeld is, terwijl men wel in het bezit is van een hogere kaart.
Dwang
een speelwijze waarbij men door het uitspelen van hoge kaarten de tegenpartij dwingt kaarten af te gooien, waarbij deze niet kan voorkomen dat door dit afgooien een of meer extra slagen worden gemaakt
Fit
Je hebt een fit in een kleur, als je samen met je partner 8 of meer kaarten van deze kleur bezit. Kleuren waarin jullie een fit hebben, zijn voor jullie aantrekkelijk als troefkleur. Daarom zoek je tijdens het bieden naar fit (vooral in de hoge kleuren).
Incasseren
een hoge kaart spelen, zodat de slag zonder meer gemaakt wordt.
Ingooien, ingegooid
een speler is ingegooid, als hij een slag heeft gewonnen en elk voorspelen in de volgende slag zijn partij een slag zal kosten.
Kwetsbaarheid
Een paar is kwetsbaar of niet kwetsbaar. Dit wordt bepaald voordat de kaarten verdeeld worden en heeft dus niets te maken met de verdeling van de kaarten. De kwetsbaarheid staat meestal aangegeven op het board waar de kaarten in zitten. Als men kwetsbaar is zijn manche- en slempremies hoger, maar kosten downslagen ook meer. De puntentelling telt voor een kwetsbaar paar dus zwaarder. Betere bridgers houden hier tijdens het bieden rekening mee.
Leider
de speler die, met zijn partner (als blinde), het eindcontract moet spelen. De leider is die speler van het paar dat het eindcontract geboden heeft, die het eerst de speelsoort van het eindcontract geboden heeft.
Manche
Het eerste 'bonusniveau'. Een manchecontract scoort extra punten als je het biedt en maakt. De manches zijn 3SA (minstens 9 slagen), 4/♠ (minstens 10 slagen) en 5♣/ (minstens 11 slagen). De manche stopt op 6-niveau: daar begint het 'slem'.
Opstappen
een hogere kaart bijspelen dan reeds in de slag gespeeld is, zodat men de volgende speler dwingt nóg hoger te spelen (of de slag te verliezen).
Overnemen
een (meestal hoge) kaart voorspelen en aan de andere kant van de tafel een nog hogere kaart spelen, zodat de andere kant aan slag komt. Wordt meestal gedaan als de speler die voorspeelt geen lage kaarten heeft. Bijvoorbeeld: "De heer wordt overgenomen met het aas."
Overslag
slag die meer wordt gemaakt dan geboden is. Een overslag levert extra punten op, maar veel minder dan bijvoorbeeld een manchepremie.
Plus- en minpunten
In de ruwe puntentelling geldt dat wat de ene partij plus scoort, de andere partij in de min krijgt, en omgekeerd.
Psyche
bieding of speelwijze waarbij men van de conventie afwijkt om de tegenpartij te misleiden. De partner kan echter ook misleid worden, want geheime conventies zijn verboden.
Renonce
iemand heeft een renonce als hij geen kaarten in die kleur heeft. Zie ook singleton en doubleton.
Safety play
wijze van spelen waardoor voorkomen wordt dat er bij een ongunstige verdeling van de kaarten down wordt gegaan, meestal ten koste van een mogelijkheid van overslagen als de kaarten wel gunstig verdeeld zijn.
Singleton
iemand heeft een singleton als hij precies één kaart in die kleur heeft. Zie ook doubleton en renonce.
Slem
Het tweede en derde 'bonusniveau'. Een slemcontract scoort extra punten als je het biedt en maakt; nog meer dan de manche. 6♣-6SA (minstens 12 slagen) noemen we 'klein slem' en 7♣-7SA (alle 13 slagen) is 'groot slem'.
Snijden, snit of finesse
een lagere kaart bijspelen (bijvoorbeeld de vrouw en niet het aas), in de hoop dat de tussengelegen kaart (de heer) in bezit is van de speler die al heeft bijgespeeld. Zo kan een extra slag worden gemaakt.
Spelen
natuurlijk kan het hele spel als spelen worden aangeduid, maar inzonderheid bedoelt men met spelen de tweede fase van het spel, na de bieding, waarin de slagen worden gemaakt.
Splinter
een bod dat, naast een bepaalde kracht en eventueel steun, een singleton of renonce in de geboden kleur aangeeft.
Transfer
een conventioneel bod dat lengte aangeeft niet in de geboden kleur maar in de kleur erboven. De partner moet daarna de juiste kleur bieden. Hiermee bereikt men dat de partner uiteindelijk de leider in het contract zal worden.
Trek
de zevende slag en de slagen daarna.
Uitkomst
de voorgespeelde kaart in de eerste slag door de speler die links van de leider zit.
Verzaken
verzuimen te bekennen als dat moet. Verzaken is een overtreding.
Voorspelen
de eerste kaart van een slag. Deze kaart geeft aan wat de gevraagde kleur is die de andere spelers moeten bekennen.
Vork
twee net niet opeenvolgende kaarten, bijvoorbeeld A en V. Door te snijden heeft men een kans op een extra slag.
Vrij
een vrije kaart is hoger dan de kaarten die de tegenstanders bezitten. Wie een vrije kaart voorspeelt maakt de slag dus altijd, tenzij er getroefd wordt.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Externe links[bewerken | brontekst bewerken]