Naar inhoud springen

Vier van Breda

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Drie van Breda)
Protesten op het Binnenhof in 1972 tegen de mogelijke vrijlating van de Drie van Breda

De Vier van Breda (vanaf 1966 de Drie van Breda en vanaf 1979 de Twee van Breda) waren de laatste vier gevangengehouden Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland na de Tweede Wereldoorlog. De groep bestond uit Willy Lages, Joseph Kotalla, Ferdinand aus der Fünten en Franz Fischer. Vanaf 1952 zaten ze gevangen in de Koepelgevangenis in Breda,[1] waar hun collectieve naam naar verwijst.

Lages, Aus der Fünten en Fischer speelden een sleutelrol in de deportaties van Joden uit Nederland, terwijl Kotalla plaatsvervangend hoofd was van Kamp Amersfoort. De Vier van Breda werden aanvankelijk ter dood veroordeeld, maar in 1951-1952 werden hun straffen omgezet in levenslange gevangenisstraf. Ze waren vervolgens de enige Duitse oorlogsmisdadigers in Nederland die niet voor 1961 werden vrijgelaten.

In de daaropvolgende decennia werden er pogingen ondernomen om hen vrij te laten. Deze inspanningen werden gesteund door de West-Duitse regering. De gratieverzoeken vielen samen met een toenemend bewustzijn van de Tweede Wereldoorlog en de psychologische impact op slachtoffers in Nederland. Verschillende ministers van Justitie besloten om hen niet vrij te laten, nadat voorstellen voor vrijlating werden ontmoet met publieke protesten en emotionele debatten in het parlement. Dit bereikte een hoogtepunt in 1972.[2]

Lages werd in 1966 vrijgelaten om medische redenen en stierf vijf jaar later in West-Duitsland. Kotalla stierf in de gevangenis in 1979. In 1987 werden Aus der Fünten en Fischer de laatste Duitse oorlogsmisdadigers in Europa die sinds 1945 continu gevangen zaten. Zij kregen gratie op 27 januari 1989 en stierven hetzelfde jaar.

Misdaden en vonnissen

[bewerken | brontekst bewerken]

Als onderdeel van de Bijzondere Rechtspleging behoorden de Vier van Breda tot de 240–242[3] Duitsers die na de Tweede Wereldoorlog in Nederland werden berecht voor oorlogsmisdaden en misdaden tegen de menselijkheid.[2] Achttien Duitsers, waaronder de Vier van Breda, werden ter dood veroordeeld, een straf die speciaal voor de Bijzondere Rechtspleging was heringevoerd.[a][4]

Franz Fischer

[bewerken | brontekst bewerken]
Franz Fischer

Franz Fischer (geboren in 1901) werd in november 1940 overgeplaatst naar het Judenreferat IV B4 in Den Haag. Hoewel Wilhelm Zoepf de leiding had, was Fischer in de praktijk dagelijks verantwoordelijk voor de deportatie van 13.000[5] Joden en het opsporen van ondergedoken Joden. Hij werd aanvankelijk veroordeeld tot een levenslange gevangenisstraf op 17 maart 1949, wat in cassatie werd omgezet in de doodstraf op 12 juli 1950.[6]

Willy Lages met zijn advocaat tijdens zijn proces op 19 juli 1949

Willy Lages (geboren in 1901) werd na de Februaristaking in 1941 hoofd van het Amsterdamse kantoor van de Sicherheitspolizei en de Sicherheitsdienst in Amsterdam, evenals hoofd van het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam.[7] Hij was verantwoordelijk voor anti-Joodse maatregelen, waaronder razzia's en deportaties van 70.000 Joden. Hij beval ook executies en was betrokken bij executies, waaronder de executie van Hannie Schaft[8] en executies die deel uitmaakten van Aktion Silbertanne.[9] Hij werd ter dood veroordeeld op 20 september 1949, wat in cassatie werd bevestigd op 12 juli 1950.[10][7]

Ferdinand aus der Fünten

[bewerken | brontekst bewerken]

Ferdinand aus der Fünten (geboren in 1909) trad in september 1941 toe tot het Centraal bureau voor Joodse emigratie in Amsterdam. Hij werd uiteindelijk plaatsvervangend hoofd onder Lages, waardoor hij dagelijks verantwoordelijk was voor de deportaties in Amsterdam. Hij was ook betrokken bij de ontruiming van verschillende instellingen, waaronder Het Apeldoornsche Bosch.[11]

Joseph Kotalla

[bewerken | brontekst bewerken]
Joseph Kotalla (tweede van links op de voorste rij) tijdens zijn proces op 16 november 1948

Joseph Kotalla (geboren in 1908) werd in februari 1941 aangesteld als bewaker in de Politiegevangenis in Scheveningen,[12] waar hij als een van de ergsten werd beschouwd.[13] In september 1941 werd hij overgeplaatst naar Kamp Amersfoort als straf voor het mishandelen van een gevangene in een cel.[14] Desondanks maakte Kotalla carrière in het kamp en begin 1943 werd hij hoofd van de administratie en de facto plaatsvervangend commandant.[15] Zijn harde en gewelddadige behandeling van gevangenen bezorgde hem de bijnaam 'Beul van Amersfoort'.[16] Hij was ook betrokken bij 78 executies.[b][17]

Hij werd zowel bij het eerste proces als in hoger beroep ter dood veroordeeld.[18] Tijdens het proces was de vraag of hij verminderd toerekeningsvatbaar was aan de orde.[18] Later werd bij hem dwangstoornis vastgesteld als gevolg van hersenletsel opgelopen op negenjarige leeftijd.[19]

Omzetting in levenslange gevangenisstraf (1951–1952)

[bewerken | brontekst bewerken]

Ondanks de publieke steun voor de doodstraf, vreesde het kabinet-Schermerhorn-Drees dat te veel executies een negatieve impact op de samenleving zouden hebben. In februari 1946 nam het kabinet geheime richtlijnen voor gratie aan.[20][21] In januari 1947 voegde minister van Justitie Johannes Henricus van Maarseveen (KVP) de meest ernstige Duitse oorlogsmisdadigers toe als een categorie die in aanmerking kwam voor executie.[22] Het ruimere gratiebeleid kreeg kritiek van de rechterlijke macht, koningin Wilhelmina  die in 1947 tijdelijk weigerde haar handtekening onder gratieverleningen te zetten  en verschillende partijen in het parlement.[23]

Ondertussen ontstond er in West-Duitsland een lobby voor oorlogsmisdadigers, die eufemistisch 'krijgsgevangenen' werden genoemd. Deze steun werd geïnitieerd door de kerken, in het geval van de Vier van Breda voornamelijk de protestantse kerk.[24] Aan de kerken gelieerde organisaties boden juridische bijstand, die sinds 1948 door de overheid werd gesubsidieerd.[25] Met name de kerkvoorzitter van de Evangelische Kerk van de Palts, Hans Stempel [de], was actief; hij bezocht de gevangenen met Kerstmis 1951 en behartigde hun belangen. In 1952 werd hij bestuurslid van de Stille Hilfe.[26] In maart 1952 protesteerde Otto Dibelius, voorzitter van de Evangelische Kerk in Duitsland, in een brief aan de Nederlandse premier Willem Drees tegen de doodstraffen en vroeg om omzetting naar levenslange gevangenisstraf.[27]

In 1949 richtte de West-Duitse regering de Zentrale Rechtsschutzstelle op om de rechtsbijstand aan Duitse gevangenen in het buitenland te coördineren. De West-Duitse regering probeerde de uitvoering van de doodstraf te voorkomen.[28] Op 25 maart 1950 verzocht de Duitse bondskanselier Konrad Adenauer (CDU) de voorzitter van de Allied High Commission, André François-Poncet, de Nederlandse regering te verzoeken af te zien van de doodvonnissen.[29]

Fischer en Aus der Fünten

[bewerken | brontekst bewerken]
Ferdinand aus der Fünten tijdens zijn proces op 13 december 1949

In 1948 volgde Juliana haar moeder op als koningin. Juliana had gewetensbezwaren tegen de doodstraf en weigerde enkele verzoeken om gratie af te wijzen.[30] Minister van Justitie Teun Struycken (KVP) bereikte een compromis met Juliana. De doodstraf zou alleen worden uitgevoerd als zowel het eerste proces als de cassatie resulteerden in een doodvonnis. Als gevolg hiervan werden de straffen van Aus der Fünten en Fischer in januari 1951 omgezet in levenslange gevangenisstraf, terwijl Julius Herdtmann werd geëxecuteerd in ruil daarvoor.[31][32]

De omzetting wekte verontwaardiging, met name onder het voormalig Nederlandse verzet en Joodse organisaties. Op 22 mei 1951 interpelleerde de communistisch parlementariër Benno Stokvis de opvolger van Struycken, Hendrik Mulderije (CHU), over het gratiebeleid. Stokvis, samen met de Anti-Revolutionaire Partij (ARP) en de CHU, bekritiseerde het beleid. Een grote meerderheid, geleid door KVP en Partij van de Arbeid (PvdA), verzette zich tegen een motie van Stokvis om de gratieregels te publiceren. Een meerderheid steunde echter een motie van Leen Donker (PvdA), waarin bezorgdheid werd uitgesproken over de mogelijke omzetting van levenslange straffen in tijdelijke.[33][34]

Na de processen van Kotalla werden aanvullende psychiatrische evaluaties uitgevoerd, waarbij bij hem een dwangstoornis werd vastgesteld. Als gevolg hiervan besloot Mulderije in december 1951 om de straf van Kotalla te verminderen tot levenslange gevangenisstraf vanwege verminderde toerekeningsvatbaarheid.[35][18]

Protest op 12 oktober 1952 op de Nieuwmarkt in Amsterdam tegen gratie voor Lages

Lages was in cassatie veroordeeld in juli 1950, waarna hij direct gratie aanvroeg. Beide rechtbanken waren tegen gratie, maar het duurde tot september 1951 voordat het Bijzonder Gerechtshof tot deze conclusie kwam. De vertraging werd toegeschreven aan de hoofdofficier van justitie die de verwerking van het verzoek vertraagde en Lages gebruikte voor zijn onderzoek naar misstanden in kampen voor politieke gevangenen.[36] Juliana was ook tegen zijn executie, terwijl Mulderije weigerde de gratie goed te keuren en dreigde met ontslag. Omdat geen van beiden toegaf, werd een beslissing uitgesteld tot er een nieuw kabinet werd gevormd na de Tweede Kamerverkiezingen van 25 juni 1952. In het kabinet-Drees II werd Donker minister van Justitie.[37]

De lange tijd tussen zijn vonnis en de executie werd de hoofdreden voor Donker om de straf van Lages om te zetten in levenslange gevangenisstraf op 29 september 1952.[38] De beslissing om de straf van Lages om te zetten leidde tot sociale onrust. In Amsterdam protesteerden 15.000 tot 20.000 demonstranten op 12 oktober 1952 tegen het besluit.[39] Donker maakte in het parlement de voorbehoud dat er, voor zover hij betrokken was, geen sprake zou zijn van een tweede gratie in deze uitzonderlijke categorie. Hij zei ook dat naar zijn mening ministeriële verantwoordelijkheid gold voor gratiebeslissingen. Dat betekende dat een dergelijke beslissing zou worden beïnvloed door het parlement en dus de samenleving.[40]

De laatste vier (1960–1965)

[bewerken | brontekst bewerken]
De Koepelgevangenis waar de Vier van Breda sinds 1952 werden vastgehouden (foto in 1967)

Sinds de invoering van het Wetboek van Strafrecht in 1886 was een levenslange gevangenisstraf in Nederland altijd omgezet (meestal na vijftien tot zeventien jaar). Voormalig minister Struycken verklaarde later dat hij verwachtte dat de omgezette doodstraf een maximum van twintig jaar gevangenisstraf zou betekenen.[41] Bovendien wilde de Nederlandse regering de oorlog achter zich laten door middel van gratie, onder andere om controversiële debatten over Nederlandse collaboratie te vermijden.[42] Dit leidde tot de vrijlating van de laatste Duitse oorlogsmisdadigers, met uitzondering van de Vier van Breda, in 1961.[43] Hiertoe behoorden de vijf andere Duitse gevangenen die aanvankelijk ter dood waren veroordeeld,[c] die tussen december 1958 en mei 1960 in betrekkelijke stilte werden vrijgelaten.[4]

De publieke interesse in de Tweede Wereldoorlog nam begin jaren 1960 toe,[47] met het Eichmann-proces (1961), de publicatie van Jacques Pressers boek Ondergang: De vervolging en verdelging van het Nederlandse Jodendom 1940-1945 (1965) en de uitzending van Loe de Jongs televisieserie De bezetting (1960–1965).[48]

Minister van Justitie Albert Beerman tijdens een debat in de Tweede Kamer over de rijksbegroting op 19 november 1959, waarin ook de Vier van Breda werden besproken

Tijdens een debat in 1959 in de Tweede Kamer zei minister van Justitie Albert Beerman (CHU) dat de Vier in aanmerking zouden komen voor gratie en benadrukte dat dit een prerogatief van de Kroon was.[49] Aangemoedigd door Beerman pleitten progressieve strafrechtdeskundigen Jacob Maarten van Bemmelen en Willem Pompe in 1963 in het Nederlands Juristenblad voor vrijlating.[50] De publiciteit had een averechts effect en leidde tot publieke verontwaardiging, waardoor Beerman afzag van gratie.[51][52] Zijn opvolger Ynso Scholten wees hun gratieverzoeken af op 24 oktober 1964.[53]

Voormalige voorzitters van de Stichting Toezicht Politieke Delinquenten (STPD) Frans Duynstee en Jaap le Poole schreven een reactie ter ondersteuning van het artikel van Pompe en Van Bemmelen een maand na de publicatie. Le Poole, die actief was geweest in het verzet en een voormalig PvdA-Kamerlid was, zette zich achter de schermen in om invloedrijke personen te overtuigen van gratie. Hij stelde Stempel voor aan verschillende Nederlandse journalisten en politici.[54]

Le Poole had enig succes met Ivo Samkalden (PvdA), die op 14 april 1965 minister van Justitie was geworden. Hij verwierp collectieve gratie, maar stond open voor individuele gratie, met name voor Kotalla gegeven zijn psychiatrische evaluaties.[53] Ondertussen had ook de Hoge Raad zijn advies over gratie voor Kotalla gewijzigd, van negatief in 1960 tot positief in 1962 en 1963. De publieke opinie en de mening van NIOD-historicus Ben Sijes dat vrijlating de vervolging van oorlogsmisdadigers in West-Duitsland en Oostenrijk zou kunnen hinderen, weerhielden Samkalden ervan gratie te verlenen.[55]

Strafonderbreking van Lages (1966)

[bewerken | brontekst bewerken]
Protest in Amsterdam op 18 september 1966 tegen de onderbreking van de straf van Lages

In mei 1966 werd Lages in het ziekenhuis opgenomen met darmkanker en artsen verwachtten niet dat hij de operatie zou overleven. Nadat Le Poole dit onder de aandacht bracht van minister Samkalden, verleende Samkalden een opschorting van zijn straf voor drie maanden om behandeling in West-Duitsland te ontvangen. Hij werd overgebracht naar een ziekenhuis in Braunlage op 9 juni 1966.[56][57]

Er was een ontevreden reactie van het voormalige verzet en oorlogsslachtoffers. Een demonstratie van 150 mensen vond plaats in Amsterdam. Er was ook opschudding binnen Samkaldens eigen partij, waarbij enkele Joodse leden ongeloof uitten dat de Joodse Samkalden deze beslissing had genomen. Ondanks de onrust werd de beslissing geaccepteerd door de coalitiepartijen.[58]

Minister van Justitie Ivo Samkalden tijdens een debat in de Tweede Kamer op 4 oktober 1966 over de vrijlating van Lages

Minder dan een maand later werd Samkalden geïnformeerd dat Lages geen kanker had, maar een ernstige darmobstructie als gevolg van polyarteritis nodosa.[56][59] Dit was levensbedreigend, maar niet acuut dodelijk. Hij kon Lages niet opnieuw gevangenzetten vanwege de medische toestand van Lages en het feit dat de West-Duitse grondwet uitlevering niet toestond. 2.000 demonstranten kwamen op voor een nieuwe protestactie in Amsterdam. Tijdens een debat in de Tweede Kamer op 4 oktober 1966 behield Samkalden de steun van de coalitiepartijen en de CHU.[60] Lages werd in november 1966 uit het ziekenhuis ontslagen, maar bleef in Braunlage, waar hij in 1971 overleed.[61]

Voorstel voor voorwaardelijke invrijheidstelling (1969)

[bewerken | brontekst bewerken]
Minister van Justitie Carel Polak (VVD) tijdens een debat in de Tweede Kamer over de Drie van Breda op 21 oktober 1969

Tegen 1969 had elk van de Drie van Breda opnieuw een verzoek om gratie ingediend.[4] De nieuwe minister van Justitie Carel Polak (VVD) gaf de voorkeur aan het wijzigen van het Wetboek van Strafrecht om voorwaardelijke invrijheidstelling mogelijk te maken voor hen die tot levenslange gevangenisstraf waren veroordeeld na twintig jaar.[62] Op deze manier zou het proces transparant zijn en met betrokkenheid van het parlement.[4] In overleg met de ministerraad peilde hij in augustus 1969 vertrouwelijk de meningen van de fractievoorzitters. Er was aanzienlijke verdeeldheid binnen de Kamerfracties, maar een meerderheid van 85 leden steunde het voorstel.[62]

Het vertrouwelijke overleg lekte uit, wat leidde tot maatschappelijke onrust, met name onder voormalige verzetsgroepen en Joodse gemeenschappen.[63] Aan de andere kant waren er ondersteuningen; kerken en rehabilitatieverenigingen pleitten voor vrijlating,[63] en de vier Bureaus voor Geestelijke Volksgezondheid betoogden dat detentie van de Drie geen verdriet voor slachtoffers zou verlichten.[64] Ondanks parlementaire steun stuurde Polak op 29 september 1969 een brief aan het parlement waarin hij zijn voorstel introk.[65][66]

Debat van 1969

[bewerken | brontekst bewerken]
Tweede Kamerlid Theo van Schaik (KVP) tijdens een debat in de Tweede Kamer over de Drie van Breda op 21 oktober 1969

Op 21 oktober 1969 debatteerde de Tweede Kamer over de kwestie.[67] Kamerlid Theo van Schaik (KVP), een voormalige student van Pompe,[68] had zijn voornemen aangekondigd om een motie in te dienen waarin het kabinet werd opgeroepen het wetsvoorstel in te dienen, ondanks de pogingen van Polak om hem daarvan af te brengen.[62] Tijdens het debat betoogde Van Schaik dat het wetsvoorstel juridische gelijkheid zou bieden. Hij stelde ook dat de Nederlandse bevolking leed onder de aanwezigheid van de Drie en dat levenslange gevangenisstraf het rechtvaardigheidsgevoel binnen het rechtssysteem vertroebelde. Als laatste argument zei hij dat het onaanvaardbaar was dat de Drie herhaaldelijk met hoop werden gevuld om vervolgens zonder vooruitzicht te worden afgewezen. Na dit laatste argument braken er luide uitbarstingen uit op de publieke tribune en het debat werd onderbroken.[67]

Voorzitter van de Tweede Kamer Frans-Jozef van Thiel op de publieke tribune van de Tweede Kamer tijdens een schorsing van het debat over de Drie van Breda op 21 oktober 1969

In het debat kreeg de motie kritiek van diverse Kamerleden. Een punt van kritiek was dat de motie de commotie, die het zelf aanwakkerde, als argument gebruikte. Een ander punt was dat een algemene wettelijke wijziging werd gebruikt terwijl de kwestie specifiek over de Drie ging. Tijdens de tweede ronde van het debat wist Polak Van Schaik ervan te overtuigen de motie in te trekken. Volgens Van Schaik was de weerstand te groot.[69] Polak wees vervolgens de verzoeken om gratie af.[70]

Hoogtepunt van het publieke debat (1971–1972)

[bewerken | brontekst bewerken]
Duitsers protesteren voor de vrijlating van de drie gevangenen tijdens een bezoek van Koningin der Nederlanden Juliana en prins Bernhard aan Bonn in 1971

In 1971 trad Dries van Agt (KVP) aan als minister van Justitie. Binnen het veld van het strafrecht werd hij als progressief beschouwd. Tijdens zijn eerste ontmoeting met journalisten gaf hij aan dat hij van plan was de Drie van Breda vrij te laten. In wat hij later zelfspot noemde, merkte Van Agt op dat het voor hem als "arisch" waarschijnlijk moeilijker zou zijn dan voor zijn voorganger. Deze opmerking veroorzaakte onmiddellijk verontwaardiging.[71]

Tijdens een debat in oktober 1971 beloofde Van Agt dat hij de Tweede Kamer zou raadplegen voordat hij de drie zou vrijlaten.[72][73] Later betreurde hij deze belofte.[74] Na positief en unaniem advies van de rechterlijke macht te hebben ontvangen, wilde het kabinet doorgaan met gratieverlening. Het raadpleegde de fractievoorzitters, waaruit bleek dat een meerderheid het eens zou zijn.[72][75] Op 16 februari 1972 stuurde het kabinet een brief over de intentie naar de Kamer.[76]

Protest op het Binnenhof op 29 februari 1972 tegen de mogelijke vrijlating van de Drie van Breda

Het voorstel tot vrijlating werd gedaan tijdens een periode van toenemende aandacht voor het lijden van oorlogsslachtoffers. Deze aandacht was deels te danken aan het onderzoek van psychiater Jan Bastiaans en zijn documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil? (1969).[77] Het plan om hen vrij te laten kreeg uitgebreide media-aandacht en riep sterke emoties op.

Oorlogsslachtoffers en voormalige verzetsstrijders richtten een overkoepelende organisatie op, de Centrale Organisatie van Voormalige Verzetsstrijders en Slachtoffers 1940–1945 (COVVS), met als primaire doel het voorkomen van de vrijlating van de Drie van Breda.[78][79] Bij deze inspanning werkten zowel communistische als niet-communistische verzetsorganisaties samen na decennia van rivaliteit.[79] Er was ook druk uit het buitenland, waarbij het Israëlische kabinet bezwaar maakte tegen vrijlating.[80] Veel parlementariërs ontvingen telefoontjes thuis, waaronder bedreigingen, en Van Agt moest met zijn gezin onderduiken.[80]

Publieke hoorzitting

[bewerken | brontekst bewerken]
Hoorzitting in de Tweede Kamer over de vrijlating van de Drie van Breda op 24 februari 1972

Hoewel het kabinet had gehoopt dat de Tweede Kamer zou afzien van een pijnlijke discussie, werd een hoorzitting geïnitieerd door Anneke Goudsmit (D'66). De doorslaggevende factor was Goudsmits opmerking dat slachtoffers nooit de gelegenheid hadden gekregen om het lijden dat ze hadden ondergaan in het parlement aan de orde te stellen.[78][81] Een dag voor de hoorzitting werd de tv-documentaire Begrijpt u nu waarom ik huil? vertoond aan Kamerleden, wat velen van hen al twijfelachtig maakte, en drie dagen later op de nationale televisie.[78][82]

Tijdens de hoorzitting op 24 februari 1972 spraken vijftig sprekers namens 43 organisaties, waarvan de meerderheid tegen vrijlating was.[80] De hoorzitting was emotioneel, wat bleek uit de opschudding rond een toespraak van strafrechtgeleerde Louk Hulsman namens de vereniging voor strafrechtelijke hervorming, Coornhert-Liga. Nadat drie psychiaters, onder wie Bastiaans, hadden betoogd dat het vrijlaten van de Drie van Breda negatieve gevolgen zou hebben voor de slachtoffers, pleitte Hulsman voor vrijlating. Toen hij betoogde dat het gevangen houden van de Drie van Breda de slachtoffers niet hielp, klonken er kreten van "Jawel" uit het publiek. De hoorzitting moest tijdelijk worden onderbroken omdat er dreiging was van fysiek geweld onder de toeschouwers.[83]

Debat van 1972

[bewerken | brontekst bewerken]
Applaus op de publieke tribune van de Tweede Kamer tijdens het debat op 29 februari 1972

De hoorzittingen en het publieke debat hadden een aanzienlijk aantal Kamerleden ervan overtuigd om tegen de vrijlating te stemmen. Ondanks de tegenstand wilde Van Agt doorgaan. Volgens hem was de uitwijzing van de Drie verkiesbaar boven het herhaaldelijk openrijten van wonden die slechts gedeeltelijk waren geheeld.[80] Op 29 februari 1972 duurde het debat over de vrijlating dertien uur. Naarmate het debat vorderde, was er steeds meer applaus en geroep van de publieke tribune. Een motie ingediend door Joop Voogd (PvdA) die opriep tot het niet vrijlaten van het individu werd aangenomen met 85 stemmen voor en 61 tegen. Een groot aantal partijen was verdeeld in hun stemgedrag.[84]

Regeringsverklaring

[bewerken | brontekst bewerken]
Premier Barend Biesheuvel en minister van Justitie Dries van Agt tijdens een debat op 29 februari 1972 in de Tweede Kamer over de vrijlating van de Drie van Breda

Op 3 en 4 maart besprak het kabinet de uitkomst van het debat. Onder anderen de ministers Kees Boertien (ARP), Van Agt, Piet Engels en Pierre Lardinois (beiden KVP) wilden dat het kabinet doorging met het verlenen van gratie. Anderen, waaronder Norbert Schmelzer (KVP) en Hans de Koster (VVD), waren tegen. Molly Geertsema (VVD), die altijd tegen vrijlating was geweest, dreigde zelfs met ontslag als ze werden vrijgelaten, volgens De Tijd. Het oorspronkelijke voorstel was om Fischer vrij te laten, het gratieverzoek van Kotalla in behandeling te houden en dat van Aus der Fünten af te wijzen. Vanwege bezwaren werd dit plan heroverwogen.[85]

Uiteindelijk presenteerde het kabinet op 4 maart een verklaring waarin het afzag van de collectieve vrijlating. Het kabinet benadrukte dat het zich het recht voorbehield om op individuele basis gratie te verlenen. Het kondigde aanvullende onderzoeken aan naar de fysieke en geestelijke toestand van de gedetineerden. In geval van enige gratieverklaring verklaarde het kabinet dat het advies zou inwinnen bij deskundigen, waaronder personen die vertrouwd worden in kringen van verzetsleden en vervolgden.[86] Het debat over de vrijlating droeg ook bij aan voorzieningen voor slachtoffers van de Tweede Wereldoorlog.[87]

Om advies te krijgen van verzetsleden en vervolgden, werd een 'vertrouwenscommissie' opgericht met een delegatie van zeven leden van COVVS. Deze commissie, waarvan de samenstelling in de loop van de tijd veranderde, bestond in het begin uitsluitend uit tegenstanders van de vrijlating, waaronder Hans Teengs Gerritsen (voorzitter) en Herman Milikowski. Naast het overheidsonderzoek benoemden ze hun eigen medisch deskundige, Hans Hers, om de gezondheidstoestand van de gedetineerden te bepalen.[88]

Kotalla's overlijden (1973–1979)

[bewerken | brontekst bewerken]
Medisch deskundige namens de vertrouwenscommissie Hans Hers

Op 30 oktober 1973 kreeg Kotalla een hersenbloeding, wat resulteerde in gedeeltelijke verlamming.[89][90] Zijn gezondheid verslechterde verder door een longembolie die hij in het ziekenhuis opliep, waardoor ambtenaren en de minister dachten dat hij het niet zou overleven. Hers bezocht Kotalla in het ziekenhuis en concludeerde dat hoewel Kotalla in slechte staat verkeerde, hij nog niet in de stervensfase was.[91] De vertrouwenscommissie bleef tegen vrijlating, hoewel ze het zouden begrijpen als de minister daartoe besloot. Vanwege een gebrek aan steun zag Van Agt van gratie af.[92]

Aan Duitse zijde was de beroerte een reden voor hernieuwde druk. Priester Ernst Wilms [de], die pleitte voor de laatste gevangen Duitse oorlogsmisdadigers in Europa, stuurde een telegram naar het ministerie waarin hij drong op vrijlating van de Drie. De Duitse ambassadeur in Nederland, Adolf Max Obermayer [de], drong ook aan op vrijlating, maar zonder succes.[93]

Kotalla's advocaat, Nouwen, tijdens de rechtszaak voor een voorlopige voorziening in juli 1975

Pas in december 1974 werd Kotalla uit het ziekenhuis teruggebracht naar Breda, een verhuizing waar hij zelf op had aangedrongen, deels door een hongerstaking. Zijn advocaat Nouwen diende een verzoek in voor een voorlopige voorziening, waarbij hij onder andere betoogde dat voortgezette detentie van Kotalla onmenselijk was. Toen dit mislukte, ging hij in beroep tot aan het Europees Hof voor de Rechten van de Mens, dat het verzoek ook afwees.[94]

In de daaropvolgende jaren bleef Kotalla's fysieke en geestelijke gezondheid achteruitgaan.[95] Een gevangenisarts concludeerde rond juni 1979 dat Kotalla's dood nabij was. De nieuwe minister van Justitie, Job de Ruiter (CDA), maakte voorbereidingen voor vrijlating en stuurde Hers om Kotalla te bezoeken op 6 juli 1979. Hers vertelde de vertrouwenscommissie dat hij niet wist.hoe lang Kotalla nog zou leven, maar dat hij niet in direct levensgevaar verkeerde. Op basis hiervan was de vertrouwenscommissie tegen vrijlating omdat hij niet "in de ogen des doods" verkeerde. Zonder hun steun vond De Ruiter het vrijlaten van Kotalla politieke zelfmoord, dus hij besloot niet door te gaan.[96]

In de volgende weken verslechterde Kotalla's gezondheid verder. Ondanks de smeekbeden van zijn verzorgers werd Kotalla noch heronderzocht noch vrijgelaten. Op 31 juli 1979 stierf Kotalla in de gevangenis.[97]

Vrijlating (1982–1989)

[bewerken | brontekst bewerken]

In 1982 werd Frits Korthals Altes (VVD) minister van Justitie. Net als zijn partij was hij tegen vrijlating. Zijn tactiek was om het onderwerp van de Twee van Breda zo min mogelijk aan te snijden om onrust onder slachtoffers te voorkomen. Toch was er publiciteit, vooral toen de Bundestag in 1982 een motie aannam, ingediend door Alois Mertes (CDU), die opriep tot vrijlating van Fischer en Aus der Fünten. Op advies van de West-Duitse ambassadeur in Nederland, Otto von der Gablentz, werd deze motie niet uitgevoerd en onthield zich West-Duitsland grotendeels van het aankaarten van de zaak. Deze aanpak was bedoeld om het voormalige verzet ervan te overtuigen dat er geen Duitse druk was.[98]

Groep van negentien

[bewerken | brontekst bewerken]

Op de achtergrond zette met name Bib van Lanschot zich in voor vrijlating. In 1987 liet hij Fischer en Aus der Fünten een brief sturen aan fractievoorzitters, verschillende ministers en verzetsorganisaties. De vertrouwelijke brief werd gelekt. De negatieve of afwijzende reacties leidden tot de conclusie dat dit niet de juiste aanpak was.[99]

Voormalig lid van de vertrouwenscommissie en een van de groep van negentien, Hans Teengs Gerritsen, na een bezoek aan het Catshuis op 24 januari 1989, betreffende de Twee van Breda

Van Lanschot was betrokken bij het Verzetsherdenkingskruis, om de eenheid binnen het voormalige verzet te bevorderen buiten de oppositie tegen de vrijlating van de Twee van Breda. Rond het comité ontstond een groep van prominente figuren, waaronder verzetsstrijders en politici, die wilden werken aan de vrijlating van de twee.[100] Sommigen van hen, zoals Teengs Gerritsen en Hers, hadden hun mening over de vrijlating veranderd naarmate de tijd vorderde.[101] Hiertoe stelden ze een brief op, die ze op 5 juli 1988 aanboden aan Korthals Altes en minister-president Ruud Lubbers.[d] Ze wezen er onder andere op dat Nederland het laatste land was waar Duitse oorlogsmisdadigers sinds 1945 continu gevangen waren gehouden.[100]

Korthals Altes

[bewerken | brontekst bewerken]
Protest op het Binnenhof op 26 januari 1989 tegen de mogelijke vrijlating van de Twee van Breda

Net voor het bezoek van de groep van negentien had Korthals Altes een onderzoek bevolen naar de medische toestand van de gevangenen vanwege zorgwekkende signalen. De medische specialisten concludeerden echter dat hun toestand niet zodanig was dat vrijlating om medische redenen noodzakelijk was. Na het onderzoek informeerde Korthals Altes de groep van negentien in januari 1989 dat hij geen mogelijkheden zag om het voortouw te nemen in hun vrijlating.[103]

Premier Ruud Lubbers en minister van Justitie Frits Korthals Altes tijdens het debat in de Tweede Kamer op 27 januari 1989 over de vrijlating van de Twee van Breda

Toch besloot Korthals Altes om de fractievoorzitters te raadplegen over gratieverlening. Op 24 januari 1989 stuurde hij een brief naar de Kamer waarin hij zijn voornemen uitte om de twee vrij te laten. Naast de brief van de groep van negentien, haalde hij de verwachting aan dat de discussie niet zou bedaren, wat betekende dat het doel om de slachtoffers te sparen niet zou worden bereikt.[104][105] Hij wilde, met instemming van de Kamer, de toezegging van 1972 herzien dat gelijktijdige vrijlating zou worden nagelaten.[104]

Tweede Kamerlid Ineke Haas-Berger (PvdA) tijdens het debat in de Tweede Kamer op 27 januari 1989

De Kamer handelde snel, zonder al te veel publiciteit. Een hoorzitting met vertegenwoordigers van slachtoffers en het verzet werd op 26 januari achter gesloten deuren gehouden. Diezelfde dag begon een tweedaags debat over de kwestie.[106] De argumenten die tijdens dit debat werden uitgewisseld, waren niet wezenlijk anders dan die in 1972,[106] hoewel ze veel minder emotioneel waren.[107] Een motie ingediend door Ineke Haas-Berger (PvdA) om af te zien van gratieverlening behalve op individuele basis werd verworpen met 55 stemmen voor en 85 stemmen tegen.[106] Enkele uren na het debat werden Fischer en Aus der Fünten als ongewenste vreemdelingen over de grens gezet.[108]

West-Duitsland

[bewerken | brontekst bewerken]

Op de dag van de vrijlating bedankte de West-Duitse president Richard von Weizsäcker het Nederlandse parlement voor deze beslissing. Het Duitse ministerie van Buitenlandse Zaken prees de Nederlandse regering voor het gebruik van humanitaire redenen in haar beslissingen en voegde eraan toe dat Fischer en Aus der Fünten geen formeel welkom zouden ontvangen.[109] Fischer en Aus der Fünten ontvingen een federaal pensioen, nadat Fischers Noordrijn-Westfaalse pensioen was ingetrokken. Hun pensioen werd aangevuld met donaties, waaronder van Stille Hilfe.[110] Aus der Fünten stierf in april 1989 en Fischer stierf in september 1989.[108]

Uit protest tegen de vrijlating werd de Nederlandse vlag halfstok gehesen tijdens de Auschwitzherdenking op 29 januari 1989[111]

Hoewel het politieke debat met de vrijlating eindigde, bleef de publieke verontwaardiging nog enige tijd voortduren.[112] Drie dagen na de vrijlating werd de Auschwitzherdenking door meer mensen dan gebruikelijk bijgewoond als protest.[111][113] Er was veel discussie, vooral binnen het voormalige verzet, die zich richtte op de leden van de groep van negentien.[112]

Direct na het debat distantieerde Teengs Gerritsen zich van de groep van negentien. Hij zei dat hij het niet met alles in de brief eens was en dat zijn intentie uitsluitend was om verdere schade aan de slachtoffers te voorkomen.[114] Abel Herzberg, een overlevende van de Holocaust en jurist die pleitte voor vrijlating, begon achteraf te twijfelen:[115]

"Toen ik terugkwam uit Bergen-Belsen, toen ik thuiskwam, toen leefden onze drie kinderen nog. Dat is zo'n vreugde, dat vaagt zoveel ellende weg... Maar als je nou thuis was gekomen en je kinderen leefden niet meer? Daar kan je toch niet overheen komen? Voor die mensen is dit, deze vrijlating, toch niet te verdragen? Daarom weet ik niet of dit nou wel moest, ik weet niet of ik wel gelijk had met al dat gepraat van mij."

Commons heeft media­bestanden in de categorie The Breda Four.
  • Rudolf Hess, Duitse oorlogsmisdadiger die tot zijn zelfmoord in 1987 gevangen zat in West-Duitsland
  • Erich Koch, Duitse oorlogsmisdadiger die tot zijn dood in 1986 gevangen zat in Polen
  • Walter Reder, Oostenrijkse oorlogsmisdadiger die tot 1985 gevangen zat in Italië
  1. Vier van hen werden bij verstek veroordeeld en nooit gearresteerd.
  2. Omdat ze een slachtoffer over het hoofd zagen, werd hij alleen aangeklaagd en veroordeeld voor 77 executies.
  3. Dit waren Johann Friedrich Stöver,[44] Friedrich Bellmer,[45] Bernard Georg Haase,[45] Johannes Wilhelm Hoffmann en Ferdinand Frankenstein[46]
  4. De volledige lijst van ondertekenaars:[102] Peter Baehr, Dien Barendsen-Cleveringa, Wim Couwenberg, Christiaan Justus Enschedé, Frans Feij, Til Gardeniers-Berendsen, Hans Hers, C.C. van den Heuvel, Piet de Jong, Van Lanschot, Theo van Lier, W. Nijsse, Gerard Peijnenburg, Eric Roest, Ivo Samkalden, David Simon, Max van der Stoel, Hans Teengs Gerritsen, Wim Tensen. Jos Kapteyn, Minus Polak en Gerard Veringa waren ook betrokken, maar onthielden zich van ondertekening om een oververtegenwoordiging van leden van de Raad van State te voorkomen
  1. Hoving 2019, p. 221.
  2. 1 2 Piersma 2005, p. 7.
  3. Piersma 2005, p. 205.
  4. 1 2 3 4 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 365.
  5. Franz Fischer. oorlogsbronnen.nl. Geraadpleegd op 28 juni 2025.
  6. Piersma 2005, pp. 34–36.
  7. 1 2 Piersma 2005, p. 39.
  8. Van der Zee 2023, pp. 356-365.
  9. Van der Zee 2023, pp. 259-275.
  10. Van der Zee 2023, pp. 398, 405.
  11. Piersma 2005, p. 37.
  12. Hoving 2019, pp. 53–54.
  13. Hoving 2019, p. 61.
  14. Hoving 2019, pp. 66–67.
  15. Hoving 2019, pp. 72–80.
  16. Hoving 2019, p. 103.
  17. Hoving 2019, pp. 95–100, 152.
  18. 1 2 3 Piersma 2005, p. 44.
  19. Hoving 2019, p. 311.
  20. Piersma 2005, pp. 21–22.
  21. Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, p. 534.
  22. Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, pp. 534–535.
  23. Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, p. 535.
  24. Bohr 2018, pp. 59-60.
  25. Bohr 2018, pp. 64,78.
  26. Bohr 2018, p. 65.
  27. Bohr 2018, pp. 63-64.
  28. Bohr 2018, p. 79.
  29. Bohr 2018, p. 86.
  30. Piersma 2005, pp. 55–56.
  31. Van Merriënboer & Bovend'Eert 1992, pp. 538–539.
  32. Van Merriënboer 1997, p. 507.
  33. Van Merriënboer, pp. 507–511.
  34. Piersma 2005, p. 48.
  35. Van Merriënboer 1997, p. 514.
  36. Piersma 2005, pp. 55–64.
  37. Van der Zee 2023, p. 414.
  38. Piersma 2005, p. 55, 64.
  39. Piersma 2005, p. 51.
  40. Piersma 2005, p. 65.
  41. Hoving 2019, pp. 208–209, 359.
  42. Bohr 2017, p. 418.
  43. Hoving 2019, p. 290.
  44. Hoving 2019, p. 243.
  45. 1 2 Piersma 2005, p. 102.
  46. Bohr 2018, pp. 107, 439.
  47. Bohr 2017, p. 419.
  48. Piersma 2005, p. 87.
  49. Piersma 2005, p. 66.
  50. Piersma 2005, p. 69.
  51. Piersma 2005, pp. 72–74.
  52. Van Kessel et al. 2010, p. 252.
  53. 1 2 Piersma 2005, p. 78.
  54. Piersma 2005, pp. 75–79.
  55. Piersma 2005, p. 81.
  56. 1 2 Piersma 2005, p. 88.
  57. Van der Zee 2023, pp. 419–420.
  58. Van Kessel et al. 2010, pp. 253–256.
  59. Van der Zee 2023, pp. 420-421.
  60. Van Kessel et al. 2010, pp. 256–258.
  61. Van Kessel et al. 2010, p. 258.
  62. 1 2 3 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 366.
  63. 1 2 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 365, 367-368.
  64. Piersma 2005, p. 98.
  65. Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 366-367.
  66. Piersma 2005, pp. 100-101.
  67. 1 2 Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 368-369.
  68. Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, p. 373.
  69. Van der Heiden, Leenders & De Lijser 2012, pp. 370-371.
  70. Piersma 2005, p. 95.
  71. Piersma 2005, p. 110.
  72. 1 2 Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 545.
  73. Piersma 2005, p. 111.
  74. Piersma 2005, p. 112.
  75. Piersma 2005, p. 114.
  76. Piersma 2005, p. 113.
  77. Piersma 2005, p. 105.
  78. 1 2 3 Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 546.
  79. 1 2 Piersma 2005, p. 123.
  80. 1 2 3 4 Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 548.
  81. Piersma 2005, p. 115.
  82. Piersma 2005, p. 126.
  83. Van Merriënboer & Geurts 2022, pp. 549–550.
  84. Van Merriënboer & Geurts 2022, p. 549.
  85. Piersma 2005, pp. 135–136.
  86. Piersma 2005, p. 137.
  87. Piersma 2005, p. 141.
  88. Piersma 2005, p. 142.
  89. Hoving 2019, p. 281.
  90. Piersma 2005, p. 144.
  91. Hoving 2019, p. 282.
  92. Piersma 2005, pp. 144–145.
  93. Hoving 2019, pp. 271, 281–282.
  94. Hoving 2019, pp. 290–293.
  95. Hoving 2019, p. 296.
  96. Hoving 2019, pp. 298–302.
  97. Hoving 2019, pp. 301–302.
  98. Piersma 2005, pp. 168-169.
  99. Piersma 2005, pp. 165-168.
  100. 1 2 Piersma 2005, pp. 170-173.
  101. Piersma 2005, pp. 179-186.
  102. Piersma 2005, p. 247.
  103. Piersma 2005, pp. 173-175.
  104. 1 2 Piersma 2005, p. 176.
  105. Bohr 2018, p. 359.
  106. 1 2 3 Piersma 2005, pp. 176-179.
  107. Bohr 2018, p. 360.
  108. 1 2 Piersma 2005, pp. 188-189.
  109. Bohr 2018, p. 362.
  110. Bohr 2018, p. 363.
  111. 1 2 Auschwitz herdenking massaal protest. De Telegraaf (30 januari 1989) – via Delpher.
  112. 1 2 Piersma 2005, p. 179.
  113. Bohr 2018, p. 361.
  114. Piersma 2005, p. 181.
  115. Piersma 2005, p. 191.
  • Fühner, Harald (2005). Nachspiel: Die niederländische Politik und die Verfolgung von Kollaborateuren und NS-Verbrechern, 1945-1989. Waxmann. ISBN 978-3-8309-1464-8.
  • Mink, Ton (2005). De drie van Breda: ervaringen van een gevangenisbewaarder. Mijn Eigen Boek. ISBN 978-90-5974-078-5.