Fjölsvinnsmál

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Menglad en negen maagden, Lorenz Frølich, 1893
De terugkeer van Svípdag naar Menglad, Lorenz Frølich, 1893

Fjölsvinnsmál (Fjölsvinns gedachtewisseling) vertelt samen met Grógaldr (de toverformules van Gróa, zie ook galdr) het verhaal van de Svípdag en zijn Verschijnen als Dag.

De Oudnoorse liederen werden in ten minste drie manuscripten uit de zeventiende eeuw in omgekeerde volgorde afgedrukt (en gescheiden door Hyndluljóð). Tegenwoordig worden de liederen gepubliceerd als Svipdagsmál.

Het wordt beschouwd als een van de jongste gedichten uit de Noordse mythologie.

Beproeving[bewerken]

In dit lied probeert Svípdag toegang te krijgen tot de zaal van Menglad (een kenning van Freya). Dit is een opdracht van zijn stiefmoeder Skaði. De bewaker van de poort van de zaal noemt zich Fjölsvinn (Ergwijze - Odin) en hij spreekt over de bewakers, de honden Gifr en Gere. Met twee stukken vlees uit het verblijf van de haan Wijdopener kan Svipdag binnengaan terwijl de honden eten.

In de gedaante van Windkou stelt Svípdag vragen en Fjölsvinn geeft antwoord. In het lied wordt Mimameid (de Boom van Kennis, verbonden met Mimir). De held moet Wijdopener, de gouden vogel (haan) in de toppen van Mimameid, bemachtigen en daarvoor moet hij de onderwereld binnengaan om een toverdrank van Lopt (Loki) te krijgen. De heks Sinmara (zoals ook Ceridwen) bewaakt de kookpot met lävaten (net als somadrank helpt het brouwsel het bewustzijn ontvankelijk maken). Het wordt in een ijzeren vat beveiligd door negen stevige sloten. Svipdag moet Sinmara een veer van de gouden vogel schenken om het wapen Lävaten van haar te krijgen.

Gesproken wordt over de Heilige Berg die alle vrouwen zal genezen en de redding is van degenen die offeren op een heilige plaats.

Fjölsvinn geeft aan dat alleen Svípdag in de armen van Menglad slapen kan en dan maakt Svípdag zich bekend. Menglad begroet Svípdag dan met een kus, er is verzoening na de terugkeer van Svípdag. Het is de oorsprong van het verhaal van de Schone Slaapster (in Zweden Törnrosa), de dochter van de zoon van de Slaap-Tovenaar (wel geïdentificeerd als Njörd, tijd en Lentekou)[1].

De ingewijde noemt zich de zoon van de Heldere Zon, net als in de Egyptische mysteriën verwijzen naar een straling rondom (usnīsa, de aureool boven of rond het hoofd van sattva's, Christussen en heiligen).

Afbeeldingen[bewerken]