Forestarii

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Forestarii is de middeleeuwse benaming voor in het woud werkzaam personeel op de landgoederen van een koning of vorst.

De spellingsvariant forestier verwijst ook naar de eretitel 'woudheer' of 'gouwgraaf', die ten tijde van West-Francië rond het jaar 800 achtereenvolgens werd gegeven aan heersers over de Vlaanderengouw als Liederik, Ingelram en Odoaker. Dergelijke forestiers, beginnend in 792 met "Liederik van Harelbeke", worden in de Flandria generosa genoemd en worden beschouwd als de vermoedelijke grondleggers van het Graafschap Vlaanderen, omdat Liederik een voorvader zou zijn geweest van de eerste Vlaamse graaf, Boudewijn I.

Forestarii waren ondergeschikt aan een ambtman.

De Forestarii zijn in drie groepen te verdelen:

  • magister forestariorum (woudmeester): De woudmeester was verantwoordelijk voor de verkoop van het gekapte hout voor zover de Ambtman deze niet beheerde. Een groot deel van de aanplant en kap van het vorstelijke woud viel onder zijn beheer inclusief de daar werkzame (horige) arbeiders.
  • liberi forestarii (vrije woud- of boswachter): De boswachter had toezicht op de grenzen van het woud en over het gekapte hout. Hij gaf de bevolking van nabijgelegen dorpen toestemming voor het in toegewezen gebieden op gezette tijden sprokkelen van kreupelhout. Ook moest hij toestemming geven als boeren vee wilden weiden in open delen van het bos.
  • servi forestarii (onvrije woud- of bosarbeider): De bosarbeider werd voor hand-en-spandiensten ingezet. Ook was hij bewaker van gekapt hout en toezichthouder over een deel van het bos.

Zie ook[bewerken]