Fregat

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Nederlandse fregat Hr. Ms. De Zeven Provinciën

Een hedendaags fregat is een oorlogsschip met een lengte tussen 100 en 150 meter, een bemanning van ongeveer 150-300 mensen en een waterverplaatsing variërend van 2000 tot ca. 6000 ton. De taken van een fregat zijn divers en liggen onder andere op het gebied van onderzeeboot-bestrijding (onder water), het beschermen van konvooien (op het water) en het creëren van een luchtverdedigingsschild (boven water). Meer dan andere schepen zijn fregatten de werkpaarden van de vloot.

Geschiedenis[bewerken]

1rightarrow blue.svg Zie ook: Lijst van fregatklassen

In de zeiltijd waren fregatten driemasters, volgend op de linieschepen met 24–44 stukken geschut. Snelle zeilers, in oorlogstijd gebruikt voor verkenningen, hit-and-run acties en zwaar genoeg om hun plaats in de linie in te nemen. In vredestijd gebruikt voor surveillance en beveiliging van koopvaarders tegen piraten.

Met de komst van stoom en pantser verdwenen de fregatten, net als de linieschepen, in de loop van de 19e eeuw uit de zeemachten.

Ruim een halve eeuw later, tijdens de Tweede Wereldoorlog, had de Royal Navy behoefte aan eenvoudige escorteschepen om konvooien te beschermen tegen aanvallen van Duitse U-boten. Hiervoor werden in de eerste oorlogsjaren torpedobootjagers gebruikt, maar deze schepen waren feitelijk te groot en te duur voor die taak en bovendien ook op tal van andere oorlogsfronten nodig. Om snel over escorteschepen te beschikken werden schepen op commerciële werven gebouwd, waarbij de romp gebaseerd was op ontwerpen voor visserijvaartuigen. Deze schepen waren snel genoeg om langzame koopvaarders bij te houden en voldoende bewapend (met dieptebomwerpers) tegen onderzeeboten. De eerste series van deze vaartuigen werden als korvet (corvette) geklasseerd. Latere series, iets grotere vaartuigen, als fregat (frigate). De US Navy liet in dezelfde tijd eveneens grote aantallen (ruim 500) escorteschepen bouwen. Deze werden evenwel destroyer-escorts genoemd, iets groter en zwaarder bewapend dan de Engelse corvettes en frigates, in feite kleine torpedobootjagers.

Na de oorlog werden de fregatten door de Royal Navy verder ontwikkeld tot diverse gespecialiseerde typen (Type 12 en afgeleiden als Type 61 en Type 41) voor vliegtuigdirectie, vliegtuigdetectie, luchtverdediging en onderzeebootbestrijding, waarbij ze gelijktijdig in grootte toenamen. Een eenvoudiger variant, en in feite een terugkeer naar de corvettes van de Tweede Wereldoorlog, was het Type 14, de Blackwoodklasse, waarvan er nog 14 gebouwd zijn in de jaren vijftig.

De US Navy bleef de aanduiding destroyer-escort tot aan het begin van de jaren zeventig gebruiken voor escorteschepen (zoals de Knoxklasse).

In de jaren zestig zag men een nieuw type escorteschip ontstaan, dat voornamelijk bewapend was met geleide-wapens en waar het traditionele geschut een secundaire of zelfs in het geheel geen rol meer speelde. Deze schepen waren groter dan de toenmalige (torpedoboot-)jagers, vergelijkbaar zelfs met de kruisers. In Amerika werden deze nieuwe schepen als frigate (Countz-, Leahy- en Belknapklasse) geklasseerd, in Frankrijk als frégate (Suffren- en Tourvilleklasse[1]). Een, althans in grootte, min of meer vergelijkbaar schip (de Countyklasse) werd in Engeland echter weer onder de destroyers gerangschikt.

Ook de nieuwe atoom-aangedreven escorteschepen van de US Navy, de Truxtun, de Bainbridge en zowel de Virginia- als Californiaklasse werden aanvankelijk als frigate geklasseerd. In feite kwam deze definitie van fregat veel dichter bij de oorspronkelijke betekenis uit de zeiltijd dan het gebruik van de term in West-Europa.

Nochtans besloot de US Navy in 1975 tot een her-klassificatie van zijn oorlogsschepen om meer in lijn te komen met de West-Europese landen. De meeste frigates werden opnieuw geklasseerd als kruisers en de destroyer-escorts als frigate.[2]

Opmerking[bewerken]

Door gebruik van veelal dezelfde typen elektronische systemen en bewapening is er in de praktijk geen verschil meer met jagers. Marines van de Verenigde Staten en het Verenigd Koninkrijk maken nog wel onderscheid.

Het onderscheid in de Verenigde Staten wordt gemaakt op basis van grootte. De Spruanceklassejagers (destroyers) zijn met 7.800 ton beduidend groter dan de Perryklassefregatten (ca. 3.500 ton). Ook zijn de jagers sneller (ontwerpsnelheid 33 vs. 27 knopen) en zijn ze voorzien van twee schroeven, terwijl de fregatten er maar één hebben.

Het onderscheid in het Verenigd Koninkrijk wordt meer gemaakt op basis van de bewapening: schepen met luchtdoelraketten voor langere afstand (Type 82, Type 42, Type 45) vallen in de destroyer-classificatie. Opmerkelijk is bijvoorbeeld dat de fregatten van het Type 22 (Broadswordklasse), batch 3 met 4850 ton groter zijn dan de jagers van het Type 42, Batch 3 (Manchesterklasse, 4775 ton) en die van het Type 42, Batch 1 en Batch 2 (Sheffieldklasse, 4250 ton).

Nederland[bewerken]

Na de Tweede Wereldoorlog werd een aantal kanonneerboten, dat de oorlog overleefd had, geclassificeerd als fregat. Tevens werden door de V.S. series destroyer-escorts (Van Amstelklasse) en patrol-craft escorts (Roofdierklasse) verstrekt. Eind jaren zestig werden zes schepen (Van Speijkklasse), naar Engels ontwerp, gebouwd. Vanaf de jaren zeventig worden alle schepen in Nederland ontworpen en gebouwd. De Nederlandse marine maakt geen onderscheid meer tussen jagers en fregatten.

België[bewerken]

Sinds 1978 beschikte België over vier fregatten uit de Wielingenklasse. In 2007 werden ze uit de dienst genomen.

In 2007 en 2008 kocht België twee fregatten van de Karel Doormanklasse van de Nederlandse marine:

Zie ook[bewerken]

Noten[bewerken]

  1. Zowel de Suffren als Tourvilleklasse werden overigens geregistreerd met een D, volgens de WEU-standaard een jager (D= destroyer).
  2. De Coontzklasse werd geklasseerd als jager; de Leahy-, Belknap-, West-Virginia en Californiaklassen werden geklasseerd als kruisers en de Knoxklasse werd geklasseerd als fregat.