Grote Vergadering

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
De grote zaal op het Binnenhof, Den Haag, tijdens de Grote Vergadering der Staten Generaal in 1651, Dirck van Delen. Tijdens deze vergadering werd besloten om geen nieuwe stadhouder aan te stellen, het begin van het Eerste Stadhouderloze Tijdperk.

Grote Vergadering is de benaming voor twee bijeenkomsten van afgevaardigden van de gewesten van de Verenigde Nederlanden in Den Haag. Een dergelijke vergadering was in feite een uitgebreide vergadering van de Staten-Generaal van de Nederlanden.

Eerste Grote Vergadering[bewerken]

De Eerste Grote Vergadering vond plaats in de Ridderzaal van 18 januari tot 21 augustus 1651 en werd geopend met een lange toespraak van Jacob Cats. Het initiatief voor deze vergadering lag bij de Staten van Holland.
Het eerste punt van de vergadering was het stadhouderschap. In juli 1650 had Willem II van Oranje een staatsgreep gepleegd met een aanslag op Amsterdam en het opsluiten van zes prominente Hollandse regenten te Loevestein en daarmee veel weerstand opgewekt. Na zijn plotselinge dood in november 1650 besloten de gewesten Holland, Zeeland, Utrecht, Gelderland en Overijssel om voorlopig geen nieuwe stadhouder aan te stellen. Tijdens de vergadering werd deze opstelling bevestigd.
Het tweede punt was de religie. Besloten werd de Nederduitse Gereformeerde Kerk niet tot staatskerk te verheffen. De plakkaten tegen de katholieken bleven van kracht.
Een derde belangrijk punt was de organisatie en de bevelstructuur van het Staatse leger. De meningen van de gewesten over hoe het leger zonder stadhouder bestuurd moest worden liepen uiteen. Besloten werd dat elk gewest zijn eigen leger zou onderhouden en zij kregen zeggenschap over officiersbenoemingen en troepenbewegingen.

Tweede Grote Vergadering[bewerken]

De Tweede Grote Vergadering vond plaats in de Trêveszaal en duurde van 28 november 1716 tot 14 september 1717. Het initiatief lag bij de Staten van Gelderland, terwijl de voorstellen tot hervorming dit keer vooral bij de Raad van State vandaan kwamen.[1] In tegenstelling tot de Eerste Grote Vergadering was dit geen congres van gewestelijke vergaderingen, maar een reeks bijeenkomsten. Zij wilden de toestand van de Unie bespreken en voorstellen tot hervorming doen. Er werden voorstellen gedaan om de gewestelijke en stedelijke autonomie in te perken en het generaliteitsgezag te versterken. Simon van Slingelandt zette de noodzaak van deze hervormingen in verschillende nota’s uiteen. De vergadering liep echter op niets uit.

Referenties en voetnoten[bewerken]

  1. Fockema Andreae, S.J., Hardenberg, H., e.a., 500 jaren Staten-Generaal in de Nederlanden (Assen 1964), p. 97-98.