Het Schrijverke (gedicht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het Schrijverke
Oorspronkelijke titel Het Schryverke
Auteur Guido Gezelle
Land Vlag van België België
Oorspronkelijke taal Nederlands
Onderwerp Schrijvertje of slootschrijvertje
Genre romantiek
Uitgiftedatum origineel 1857
Originele uitgever H. Goemaere/Stock-Werbrouck en Zoon, Brussel/Roeselare
Portaal  Portaalicoon   Literatuur

Het Schrijverke is een gedicht van Guido Gezelle uit 1857 in romantische stijl. Het verscheen voor het eerst in zijn dichtbundel Vlaemsche Dichtoefeningen (1858).[1] Het gedicht gaat niet over een auteur, maar over een waterkever: het schrijvertje, of mogelijk het slootschrijvertje. De dichter verbaast zich over het gedrag van dit diertje en ziet er een lofprijzing op God in, aldus zijn liefde voor God en voor de natuur met elkaar verbindend, een veelvoorkomend thema in zijn dichtwerk. Gerrit Komrij noemde het 'een schoolvoorbeeld van retorica, met zijn vraag- en antwoordspel, met zijn herhalingen en cresendo's en climaxen, alles zo doorzichtig van structuur en zo knap gezwaluwstaart dat de totaalcompositie weer gladjes en vloeiend lijkt.'[2]

Onderwerp[bewerken | brontekst bewerken]

Het gedicht heeft als ondertitel Gyrinus natans, wat min of meer "zwemmende ronddraaier" betekent. Dit is een originele combinatie van verschillende wetenschappelijke namen: Xenogyrinus natans en Gyrinus natator. De eerste duidt op een uitgestorven keversoort uit het Lias, de andere is de systematische benaming voor het schrijvertje. Naar alle waarschijnlijkheid schreef Gezelle echter niet over het schrijvertje, maar over het slootschrijvertje (Gyrinus substriatus).[3]

Tekst[bewerken | brontekst bewerken]

O krinklende winklende[4] waterding,
Met 't zwarte kabotseken[4] aan,
Wat zien ik toch geren uw kopke flink
Al schrijven op 't waterke gaan!
Gij leeft en gij roert en gij loopt zoo snel,
Al zie 'k u noch arrem noch been;
Gij wendt en gij weet uwen weg zoo wel,
Al zie 'k u geen ooge, geen één.
Wat waart, of wat zijt, of wat zult gij zijn?
Verklaar het en zeg het mij, toe!
Wat zijt gij toch, blinkende knopke fijn,
Dat nimmer van schrijven zijt moe?
Gij loopt over 't spegelend[4] water klaar,
En 't water niet méér en verroert
Dan of het een gladdige windtje waar,
Dat stille over 't waterke voert.
O schrijverkes, schrijverkes zegt mij dan, -
Met twintigen zijt gij en meer,
En is er geen een die 't mij zeggen kan: -
Wat schrijft en wat schrijft gij zoo zeer?[4]
Gij schrijft, en 't en staat in het water niet,
Gij schrijft, en 't is uit en 't is weg;
Geen Christen en weet er wat dat bediedt:
Och, schrijverke, zeg het mij, zeg!
Zijn 't visselkes daar ge van schrijven moet?
Zijn 't kruidekes daar ge van schrijft?
Zijn 't keikes of bladtjes of blomkes zoet,
Of 't water, waarop dat ge drijft?
Zijn 't vogelkes, kwietlende[4] klachtgepiep,
Of is 'et het blauwe gewelf,
Dat onder en boven u blinkt, zoo diep,
Of is het u, schrijverken, zelf?
En 't krinklende winklende waterding,
Met 't zwarte kapoteken[4] aan,
Het stelde en het rechtte zijne oorkes flink,
En 't bleef daar een stondeke staan:
‘Wij schrijven.’ zoo sprak het, ‘al krinklen af
Het gene onze Meester, weleer,
Ons makend en leerend, te schrijven gaf,
Eén lesse, niet min nochte meer;
Wij schrijven, en kunt gij die lesse toch
Niet lezen, en zijt gij zoo bot?
Wij schrijven, herschrijven en schrijven nog,
Den heiligen Name van God!’

Guido Gezelle, 1857

Lied[bewerken | brontekst bewerken]

In 1960 componeerde Antoine Bauwens een lied geïnspireerd door dit gedicht. Will Ferdy nam het op met het gelijknamige nummer als resultaat.

Originele werken van of over dit onderwerp zijn te vinden op de pagina Gezelle/Het Schrijverken op Wikisource.