Het wegwerk
| Het wegwerk | ||||
|---|---|---|---|---|
| Stripreeks | Bommelsaga | |||
| Volgnummer | 41 | |||
| Scenario | Marten Toonder | |||
| Tekeningen | Marten Toonder | |||
| Land | Nederland | |||
| Pagina's | 80 | |||
| Eerste druk | 25 september 1950 | |||
| Vorige | De volvetters | |||
| Volgende | Eh... dinges | |||
| Lijst van verhalen van Heer Bommel en Tom Poes | ||||
| ||||
Tom Poes en het wegwerk of kortweg Het wegwerk is het 41ste verhaal uit de Bommelsaga, geschreven en getekend door Marten Toonder. Het verhaal verscheen voor het eerst op 25 september 1950 en liep tot 28 december van dat jaar in NRC Handelsblad.
Samenvatting
[bewerken | brontekst bewerken]Heer Bommel en Tom Poes ontmoeten grootvos Nicolaus, een alter ego van Joris Goedbloed in een taverne. Deze wil een weg laten aanleggen door De zwarte Bergen. Heer Bommel is bereid om als wegenbouwer aan de slag te gaan en tekent zonder het te lezen een contract. Hierin staat dat als de weg niet af geraakt, heer Bommel zijn gehele kapitaal zal verliezen.
Dan blijkt dat er geen werknemers meer zijn om de weg te bouwen. Heer Bommel en Tom Poes hebben geluk: ze ontmoeten de diepdelvers, zwarte mannetjes die graag alles doen wat anderen echt willen doen. Tom Poes weet na een paar dagen ze de weg te laten aanleggen, hij is bijna af wanneer Nicolaus de volgende ochtend komt kijken. De diepdelvers moeten door een ijzeren muur breken maar terwijl ze daarmee bezig zijn duiken er kopkleppers op. Deze luisteren enkel naar hun leider Enooch.[1]
Nadat Tom Poes erin slaagt de kopkleppers hun hoofddeksels af te doen, worden ze opeens willoze wezens. Hun leider blijkt een platenspeler te zijn; wanneer Tom Poes Nicolaus confronteert met zijn bedrog ziet deze het anders en blijft achter om de kopkleppers te besturen met de platenspeler. Heer Bommel en Tom Poes vertrekken dan maar terug naar huis.
Achtergronden
[bewerken | brontekst bewerken]Volgens hoofdredacteur Joop Lücker had Toonder veel te veel zaken in dit verhaal verwerkt, waardoor uiteindelijk niemand het zou begrijpen.[2]
Verwijzing naar communistisch Oost-Europa
[bewerken | brontekst bewerken]In het verhaal komt heer Bommel in aanraking met de Kopkleppers, die in het oosten in een totalitaire, bureaucratische staat leven. Deze situatie doet sterk denken aan de geopolitieke situatie in Europa omstreeks 1950, waar zich een IJzeren Gordijn tussen West-Europa en het communistische Oost-Europa had ontwikkeld. De ijzeren muur in het verhaal lijkt te verwijzen naar de Berlijnse Muur, maar die is pas in 1961 gebouwd, dus elf jaar na het stripverhaal.[3]
Toonder kreeg vanwege het album kritiek vanuit de Communistische Partij Nederland. Volgens Toonder parodieerde hij echter niet de communisten maar de anarchisten.[3]
Trivia
[bewerken | brontekst bewerken]- Joris Goedbloed spreekt in dit verhaal geen potjeslatijn. In plaats daarvan doet hij uitroepen als “Praw!” en “Parbleu”, die eigenlijk horen bij andere personages uit de stripserie (Prlwytzkofsky en de markies de Canteclaer).
Voetnoot
[bewerken | brontekst bewerken]- ↑ Een verwijzing naar Eenoog, die volgens het spreekwoord koning is in het land der blinden, maar ook naar de Bijbelse oudvader Henoch.
- ↑ Hazeu, Wim (17 oktober 2012). Marten Toonder: biografie. Bezige Bij b.v., Uitgeverij De. ISBN 978-90-234-7561-3.
- 1 2 Toonder, Marten (11 juni 2015). Eh... dinges. Bezige Bij b.v., Uitgeverij De. ISBN 978-90-234-9672-4.