Houtgrond

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Gravure van de houtgrond Berg en Dal
Aquarel van houtgrond Berlijn

Een houtgrond of houtplantage was een plantage in Suriname waar hout gewonnen werd.

Het hout van deze gronden werd gebruikt voor het bouwen van huizen, bedrijfsgebouwen of als brandstof. De meeste brandstof was nodig voor het stoken van de suikerovens, maar ook voor het drogen van koffie en cacao. De meeste houtgronden lagen aan de bovenloop van de Surinamerivier omdat de grond daar zelfs te arm was voor de teelt van suikerriet. Een van de bekendste en grootste houtgronden langs de Surinamerivier was Berg en Dal.

Ook langs de verschillende kreken waren houtgronden te vinden. Veel van deze gronden lagen in 1793 langs de Casssawinicakreek, de Marschalskreek, de Parakreek en de Pararackreek. In latere jaren vervielen veel voormalige plantages tot houtgronden. De bodem was te uitgeput om er nog gewassen te telen en de oorspronkelijke vegetatie kwam weer snel terug. Veel plantage-eigenaren kochten deze houtgronden op als brandstofvoorziening. Dat was makkelijker dan bomen te kappen in het swamp (moeras) of de jungle achter hun eigen plantage.

Houtgronden verschilden op verschillende manieren van andere plantages. De uitgegeven houtgronden waren veel groter dan de gewone plantages en werden regelmatig uitgebreid wanneer een grond leeggekapt was. De slaven op de houtgronden genoten, wegens de aard van het bedrijf, een zekere mate van vrijheid en hadden daarom groot bezwaar tegen hun overbrenging naar plantages waarop koffie, cacao of suikerriet verbouwd werd. Opstanden en weglopen naar de bossen (marronage) waren niet zelden het gevolg van een voorgenomen verhuizing. De aanwezige expertise (hout kappen en transporteren naar een kreek of rivier) lag meer bij de slaven dan bij de eigenaars. Er waren dan ook geen grote plantagehuizen, maar meer dorpjes van de houtslaven. Daarvoor werden de grootste en sterkste slaven aangekocht. Houtslaven werden beter behandeld dan de plantageslaven. Dat moest ook wel, want ze konden makkelijk weglopen. Verder werden gezinnen niet gescheiden door verkoop, waardoor gezins- en gemeenschapsvorming op de houtgronden mogelijk was.

Op de houtgronden ontstonden hierdoor slavengemeenschappen met een eigen leiding, die met de eigenaar onderhandelden over de productie, grond hadden voor voedselvoorziening, en wat beloning ontvingen in de vorm van wat geld, bepaalde levensmiddelen (gezouten vis en vlees) en alcohol.

Toen de slavernij in 1863 afgeschaft werd spraken veel voormalige eigenaren met de gemeenschappen op de plantages af dat die de eerstvolgende 10 jaar (de periode van het zogenaamde Staatstoezicht) nog een bepaalde hoeveelheid hout per jaar zouden produceren, waarna de houtgrond hun eigendom zou worden. Dit gebeurde bijvoorbeeld op de grote houtgrond La Prosperité (nu beter bekend als Bersaba), aan de Coropinakreek waar de grond op die manier overgedragen werd aan negen families van ex-slaven van wie de namen allemaal met P begonnen. Op Bersaba staat nu een monument met de namen van de originele familiehoofden die de plantage met hun arbeid kochten.