Industrieel reserveleger

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
(Doorverwezen vanaf Industriële reservelegers)
Ga naar: navigatie, zoeken

In de marxistische theorie worden met de term industrieel reserveleger[1] grote groepen structureel werklozen aangeduid, die op ieder moment voor arbeid kunnen worden ingezet. Het idee is dat het kapitalisme deze groep in stand houdt, om de werkenden onder druk te kunnen zetten zodat ze geen al te hoge eisen aan hun werkgevers stellen.

Marx' opvatting[bewerken]

Hoewel het idee van een industrieel reserveleger nauw verbonden is met Karl Marx, was het begrip in de jaren 1830 al in omloop in de Britse arbeidersbeweging. Nog voor Marx spreekt Friedrich Engels in zijn boek "De toestand van de arbeidersklasse in Engeland" (1845) over een industrieel reserveleger. De eerste vermelding in het werk van Marx staat in een manuscript uit 1847, dat hij niet publiceerde.

Aanhalingsteken openen

Ten tweede: de grootindustrie heeft voortdurend behoefte aan een reserveleger van werkloze arbeiders voor de tijden van overproductie. Het voornaamste doel van de bourgeois ten aanzien van de arbeider is immers de waar arbeid zo goedkoop mogelijk te verkrijgen, wat slechts mogelijk is wanneer de aanvoer van deze waar zo groot mogelijk is in verhouding tot de vraag daarnaar, d.w.z. wanneer er een zo groot mogelijke overbevolking plaats heeft.

De overbevolking is dus in het belang van de bourgeoisie en deze geeft de arbeider een goede raad, waarvan zij weet dat hij onmogelijk op te volgen is.

f. Omdat het kapitaal eerst dan toeneemt wanneer het arbeiders te werk stelt, ligt in de toename van het kapitaal een toename van het proletariaat besloten, en zoals wij gezien hebben moet krachtens de natuur van de verhouding tussen kapitaal en arbeid, de toename van het proletariaat in verhouding nog sneller plaats hebben.

g. Intussen is de hierboven genoemde theorie, die graag als natuurwet zo uitgedrukt wordt, dat de bevolking sneller groeit dan de levensmiddelen, de bourgeois des te meer welkom omdat zij zijn geweten tot rust brengt, hem de hardvochtigheid tot morele plicht heeft gemaakt, de gevolgen van de maatschappij tot gevolgen van de natuur heeft gemaakt, en hem tenslotte gelegenheid geeft rustig toe te zien, zowel bij de ondergang van het proletariaat door de hongersnood als bij andere natuurverschijnselen, zonder zich te verroeren, en aan de andere kant maakt dat hij de ellende van het proletariaat als diens eigen schuld en straf kan beschouwen. De proletariër kan immers het natuurinstinct door zijn verstand beteugelen en zo door morele waakzaamheid de natuurwet tegenhouden in haar schadelijke ontwikkeling.
— Karl Marx, Loonarbeid, december 1847.
Aanhalingsteken sluiten

Marx introduceert het concept in hoofdstuk 25 van het eerste deel van Das Kapital dat hij twintig jaar later in 1867 publiceert. Daarin staat zijn stelling dat het kapitalisme zich ontwikkelt, de organische samenstelling van kapitaal zal toenemen, waardoor de massa constant kapitaal sneller groeit dan de massa van variabel vermogen. Minder werknemers kunnen alles produceren wat nodig is voor de eisen van de maatschappij. Daarnaast zal het kapitaal zich concentreren en in minder handen terechtkomen.

Omdat dit een absolute historische tendens is, zal na verloop van tijd een deel van de werkende bevolking neigen een ​​overschot te worden ten aanzien van de eisen van kapitaalaccumulatie. Paradoxaal genoeg groeit het industrieel reserveleger naarmate de rijkdom van de samenleving groeit. Men zou kunnen stellen dat hoe groter de rijkdom van de samenleving, hoe meer mensen die niet werken kunnen worden onderhouden.

Naarmate Marx de theorie verder ontwikkelt, wordt echter ook duidelijk dat afhankelijk van de toestand van de economie, een industrieel reserveleger zal groeien of zal krimpen, afwisselend wordt opgenomen of verdreven uit de werkzame beroepsbevolking. Aldus concludeert Marx dat de "relatieve overbevolking daarom de spil is waarop de wet van vraag en aanbod van arbeid werkt." De beschikbaarheid van arbeidskrachten beïnvloedt de lonen, en naarmate de werkloze beroepsbevolking groeit, hoe meer dit tot lagere lonen zal dwingen. Omgekeerd geldt dat wanneer er genoeg banen beschikbaar zijn en de werkloosheid laag is, dit de neiging heeft om de gemiddelde lonen te laten stijgen. In dat geval zijn werknemers in staat om sneller van baan te wisselen voor een beter salaris.[2][3]

Externe links[bewerken]