Ingebrekestelling

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De ingebrekestelling (Latijn: interpellatio) is de schriftelijke mededeling van de schuldeiser waarbij de schuldenaar wordt aangemaand om de overeengekomen prestatie te verrichten, waarbij tevens een redelijke termijn wordt gegeven om alsnog die prestatie te verrichten. Als de schuldenaar dan niet binnen die termijn heeft gepresteerd dan is hij in verzuim. Uiteraard moet de prestatie van de schuldenaar dan wel opeisbaar zijn.

Wettelijke regeling[bewerken]

De ingebrekestelling wordt genoemd in artikel 6:82 van het Burgerlijk Wetboek.[1] De wet spreekt van een schriftelijke aanmaning. Dat houdt in dat ook een 'gewone' brief een ingebrekestelling kan zijn. In de praktijk zal een ingebrekestelling vrijwel altijd door middel van een 'aangetekende brief' gaan, maar dat is geen vereiste. De schuldeiser kan dan echter makkelijker bewijzen dat zijn wederpartij in gebreke was gesteld. Ook een ingebrekestelling per e-mail is rechtsgeldig[2].

De wet geeft geen definitie van de 'redelijke termijn'. Wat redelijk is zal derhalve van de concrete situatie afhangen. Overigens zal een verweer dat in een ingebrekestelling geen redelijke termijn was gegeven niet veel kans maken als overigens vaststaat dat de schuldenaar zijn prestatie niet had verricht.

Belang van de ingebrekestelling[bewerken]

Ieder mens sluit dagelijks meerdere overeenkomsten. Meestal zal hij zich daar niet of nauwelijks bewust van zijn. Die overeenkomsten, bijvoorbeeld het kopen van een brood, leiden ook zelden tot problemen.

Anders ligt het bij overeenkomsten die een groter belang vertegenwoordigen. Als je bij het betalen gebruikmaakt van je betaalkaart kan het zijn dat je door die betaling 'rood' komt te staan. In zo'n situatie verwacht je niet van je bank dat deze de mogelijkheid tot rood staan van de een op de andere dag onmogelijk maakt. Als de bank van mening is dat je te ruimhartig gebruikmaakt van de krediet-overeenkomst die het roodstaan mogelijk maakt, dan zal de bank eerst door middel van een ingebrekestelling de kans moeten bieden om de roodstand weer binnen de overeengekomen perken te brengen. Pas daarna kan de bank het krediet beëindigen en het saldo opeisen.

Juridisch vertaald: de bank mag in deze situatie pas handelen als er sprake is van verzuim. In zijn algemeenheid is er pas sprake van verzuim nadat de schuldenaar in gebreke is gesteld. Juist dat belangrijke gevolg maakt de ingebrekestelling tot een van de belangrijkste begrippen van het Burgerlijk recht. Er zijn echter ook situaties waarin het verzuim van rechtswege, dus zonder ingebrekestelling intreedt (artikel 6:83[3] ) of waarbij wel een ingebrekestelling nodig is maar daarbij geen aanmaning/termijn hoeft te worden gesteld en dit meer neerkomt op een "aansprakelijkstelling" voor de gevolgen (6:82 lid 2, nl. als ingebrekestelling gezien de situatie nutteloos is).