Naar inhoud springen

Inspectie van het Onderwijs (Nederland)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Inspectie van het Onderwijs (IvhO)
Inspectie van het Onderwijs
Geschiedenis
Type Toezichthouder
Directeur-generaal Alida Oppers (inspecteur-generaal)
Verantwoordelijke minister Gouke Moes
Functie minister Minister van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Valt onder Ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
Jurisdictie Nederland
Hoofdkantoor Utrecht
Media
Website https://www.onderwijsinspectie.nl/

De Inspectie van het Onderwijs (IvhO), ook bekend als de Onderwijsinspectie, is een Nederlandse overheidsinstantie, gevestigd in Utrecht. Het is een onderdeel van het ministerie van Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. De missie van de organisatie is 'Effectief toezicht voor beter onderwijs'.[1]

In de Grondwet[2] staat dat de overheid toezicht houdt op het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs vervult die taak. De rol en positie van de Inspectie van het Onderwijs is vastgelegd in de Wet op het onderwijstoezicht.[3] Die bepaalt onder meer dat de inspectie onafhankelijk is in haar oordelen[4] over de ontwikkeling van het onderwijs.

De inspectie wordt geleid door de inspecteur-generaal van het Onderwijs.

De inspectie houdt toezicht op al het formele onderwijs in Nederland. Dat wil zeggen: basis- (ook wel: primair) onderwijs, speciaal onderwijs en samenwerkingsverbanden passend onderwijs, voortgezet onderwijs, mbo’s, tot en met het hoger onderwijs (hbo’s en universiteiten). Ook Nederlandse scholen in het buitenland en scholen in Caribisch Nederland[5] vallen onder het Nederlandse onderwijstoezicht.

De Inspectie van het Onderwijs houdt ook toezicht op de kwaliteit van particulier onderwijs (privéscholen, zogeheten niet-bekostigd onderwijs), voor zover de leerlingen onder de leerplicht vallen en/of de onderwijsinstelling opleidt tot een wettelijk erkend diploma.[6]

Het hoger onderwijs is anders ingericht dan andere onderwijssoorten, namelijk met een systeem van accreditatie (ofwel erkenning) van opleidingen. Voor het toezicht op het hoger onderwijs is er daarom een taakverdeling tussen de Inspectie van het Onderwijs[7] en de Nederlands-Vlaamse Accreditatieorganisatie (NVAO).

Daarnaast ziet de inspectie toe op het gemeentelijk toezicht op de kinderopvang en de voor- en vroegschoolse educatie.[8]

In Nederland zijn de onderwijsbesturen verantwoordelijk voor het onderwijs. De Inspectie van het Onderwijs richt het toezicht daarom op afzonderlijke scholen en (mbo-)opleidingen, maar ook op hun besturen.

Verder onderzoekt de Inspectie van het Onderwijs het onderwijsstelsel als geheel. De inspectie rapporteert daarbij gevraagd en ongevraagd over ontwikkelingen binnen het Nederlandse onderwijs en attendeert politiek en samenleving op onderwerpen die naar het oordeel van de inspectie aandacht verdienen.[9]

Toezicht op scholen en onderwijsbesturen

[bewerken | brontekst bewerken]

De inspectie ziet erop toe dat

  • alle leerlingen en studenten onderwijs krijgen van voldoende kwaliteit
  • scholen en opleidingen voldoen aan de wet- en regelgeving
  • scholen en opleidingen hun financiën op orde hebben.

Naast het waarborgen van de in wet- en regelgeving omschreven basiskwaliteit van onderwijs, stimuleert de inspectie besturen en scholen om verbeteringen te realiseren boven deze basiskwaliteit.[10]

De Nederlandse onderwijsinspectie houdt op verschillende manieren toezicht op de scholen en besturen. Eens in de vier jaar doet de inspectie een uitgebreid onderzoek bij ieder bestuur en een geselecteerd aantal van de scholen van het bestuur. De rapporten en oordelen over de onderzochte scholen en besturen[11] zijn na vaststelling openbaar.[12]

Daarnaast analyseert de inspectie jaarlijks alle scholen en opleidingen op basis van de gegevens die de inspectie al heeft. Bij aangetroffen risico’s wordt de ernst en omvang ervan nader onderzocht en bepaald welke vervolgstappen nodig zijn. Verder selecteert de inspectie in een jaarlijkse steekproef een aantal scholen voor een kwaliteitsonderzoek. Ook meldingen van bijvoorbeeld ouders, leraren, of signalen via media, kunnen aanleiding zijn voor nader onderzoek bij een school en/of bestuur.

Toezicht op het onderwijsstelsel

[bewerken | brontekst bewerken]

In het toezicht op het onderwijsstelsel als geheel onderzoekt de inspectie ten eerste trends die blijken uit de gezamenlijke gegevens van de onderzoeken bij afzonderlijke scholen en onderwijsbesturen. Ten tweede doet de inspectie gericht onderzoek naar onderwerpen die spelen bij een groter aantal scholen of opleidingen, of bij meer onderwijssoorten. Dit kunnen thema's zijn als de basisvaardigheden van leerlingen[13], sociale veiligheid in het onderwijs[14] of bijvoorbeeld zittenblijven.[15] De inspectie agendeert zulke breder spelende thema's onder meer ieder jaar in de publicatie 'de Staat van het Onderwijs'.[16] Deze publicatie komt overigens voort uit de verplichting in de Grondwet[17] dat de regering jaarlijks verslag doet aan de Staten-Generaal van hoe de staat van het onderwijs is.

  • In 1801 wordt voor het eerst in een nationale onderwijswet vastgelegd dat het onderwijs onder toezicht van de rijksoverheid staat.[18] Hiermee wordt het rijksschooltoezicht ingevoerd. Het rijksschooltoezicht functioneert aanvankelijk naast het bestaande lokale en kerkelijke toezicht.[19]
  • In 1817 verschijnt het eerste onderwijsverslag over de staat van het onderwijs.
  • De Onderwijswet van 1857 is een van de wetten die hierna reikwijdte en invloed van de inspectie vergroot. De inspecteurs houden zich niet alleen bezig met controle, maar ook met pedagogisch-didactische vraagstukken en met de samenhang van het onderwijsstelsel.
  • In 1918 wordt het ministerie van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen (OKW) opgericht. Tot dan toe was het onderwijsbeleid en ook het onderwijstoezicht een taak binnen het ministerie van Binnenlandse Zaken.
  • In 1989 verzelfstandigt de Inspectie van het Onderwijs zich[20] binnen het ministerie van Onderwijs. Hiervoor was de inspecteur-generaal tevens directeur-generaal binnen het ministerie.
  • In 1993 verhuist de Inspectie van het Onderwijs naar een eigen hoofdkantoor, in Utrecht-De Meern.[21]
  • In 1995 komt met de Wet educatie en beroepsonderwijs ook het toezicht van het middelbaar beroepsonderwijs en de volwasseneneducatie bij de Inspectie van het Onderwijs te liggen.
  • In 2002 wordt Wet op het onderwijstoezicht[22] van kracht. De Inspectie van het Onderwijs krijgt de taak om toe te zien op de naleving van de deugdelijkheidseisen en om de kwaliteit van het onderwijs te stimuleren. De werkwijze van de Inspectie van het Onderwijs wordt voortaan in toezichtkaders vastgelegd, bedoeld voor eenheid van handelen en voor transparantie voor de scholen.
  • In 2017 wordt de gewijzigde Wet op het Onderwijstoezicht van kracht, die voortkomt uit de Initiatiefwet Bisschop[23] uit 2014. De wetswijziging is gericht op afbakening van de stimulerende en controlerende taak van de Inspectie van het Onderwijs. In het verlengde hiervan vernieuwt de Inspectie van het Onderwijs de opzet van het toezicht.[24]