Lichtgas

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Negentiende-eeuwse lichtgaslamp

Lichtgas, ook wel stadsgas genoemd, werd vanaf de 19e eeuw gebruikt voor verlichting, verwarming, en om te koken. Het bestaat uit ongeveer 62% waterstofgas, 23% methaan, 8% koolstofmonoxide, 2% stikstofgas en 2% koolstofdioxide.[bron?] De laatste twee stoffen hebben geen deel aan de verbranding. De verbrandingswarmte bedraagt 17,5 à 20 MJ/m3. In de [[1960-1969|jaren zestig werd het vervangen door aardgas.

Lichtgas wordt in een gasfabriek geproduceerd door steenkool te verhitten zonder toetreding van zuurstof. Het bevat minder waterstofgas en meer methaan dan cokesovengas doordat bij een lagere temperatuur verhit wordt. Dat wordt gedaan om een groter methaangehalte te verkrijgen waardoor de verbrandingswarmte groter werd.

Geschiedenis[bewerken]

Dat er gas ontstaat bij de droge destillatie van steenkool was al lang bekend. De Maastrichtenaar Jan Pieter Minckeleers, hoogleraar natuurkunde in Leuven, was de eerste die experimenteerde met lichtgas als bron voor verlichting. In 1785 gebruikte Minckeleers het om zijn auditorium te verlichten. Hoewel hij ook in de weer ging om zijn opgewekte lichtgas via buizen te verdelen, slaagde hij er niet in om een goed werkend systeem te ontwikkelen voor algemeen gebruik in huishoudens of bedrijven.

Twee Britse natuurkundigen, William Murdoch en Samuel Clegg, brachten de uitvinding een stapje verder. Murdoch volmaakte het proces van de winning van lichtgas door het zuiveren van zwaveldioxide en teer. In 1803 bouwde hij tevens de eerste gasinstallatie voor de verlichting van de fabrieken van Boulton & Watts in Londen. Zijn leerling Clegg was de grote man achter de commerciële exploitatie van lichtgas.

Omstreeks 1827 bouwde de stad Gent zijn eerste gasfabriek, waarna men in Gent na twee jaar al 700 straatfakkels kon vervangen door 700 veiligere gaslantaarns. Door dat grote succes kwamen er nog twee andere fabrieken bij, waaronder de fabriek aan de Gasmeterlaan in Gent.[1] Het waren de eerste gasfabrieken in België.

De eerste gasfabriek in Nederland werd in 1826 door het Britse bedrijf Imperial Continental Gas Association (ICGA) in Rotterdam in gebruik genomen. Een jaar hiervoor werd in Amsterdam al gas geproduceerd uit raapolie. Na vele verbeteringen werden in de tweede helft van de 19e eeuw door heel Nederland gasfabrieken gebouwd die vaak door de gemeente werden beheerd. Ook werden manieren gevonden om de afvalproducten van de gasproductie (steenkoolteer) te verwerken tot allerlei producten zoals kunstmest, zwavelzuur en veel organische producten.

Nadat in 1959 bij Slochteren in Nederland een groot aardgasveld was ontdekt, werd in Nederland en België massaal overgeschakeld op aardgas. Een van de voordelen daarvan is dat dit geen koolmonoxide bevat en dus niet giftig is. Na 1960 waren de gasfabrieken overbodig, velen werden gesloopt waarbij meestal een ernstig met PAK vervuild terrein achterbleef.

Gebruik[bewerken]

Lichtgas dankt zijn naam aan de eerste toepassing; die als vervanger van lampolie, kaars en fakkel. Later werd er vooral mee verwarmd en gekookt. Het kwam in steden en dorpen in zeer veel huizen uit de gaskraan.

Verder was lichtgas een populaire vulling voor luchtballonnen, omdat het gemakkelijk verkrijgbaar was. Wegens het hoge gehalte waterstof is lichtgas daarvoor zeer geschikt. Omdat lichtgas erg brandbaar is gebruikt men tegenwoordig voor luchtballonnen liever helium.

Zie ook[bewerken]