Lucius Marcius Philippus (consul in 91 v.Chr.)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Lucius Marcius Philippus
Cursus Honorum
Censor in 86 v.Chr.
Consul in 91 v.Chr.
Praetor in 66 v.Chr.
Tribunus plebis in 104 v.Chr.
Medecensor Marcus Perperna
Medeconsul Sextus Julius Caesar
Persoonlijke gegevens
Familie Gens Marcia
Zoon van Quintus Marcius Philippus
Vader van Lucius Marcius Philippus
Gellius Publicola (stiefzoon)
Portaal  Portaalicoon   Romeinse Rijk

Lucius Marcius Philippus (Latijn: L. Marcius Q. f. Q. n. Philippus;) was een Romeins politicus uit de 1e eeuw v.Chr.

Hij werd rond 104 v.Chr. tot tribunus plebis verkozen. Hij stelde een lex agraria voor[1] en mogelijk ook een wet om de procedure te regelen in vervolgingen wegens woekeren.[2]

Hij was vermoedelijk ook aedilis[3] en in 66 v.Chr. (jaar is onzeker) praetor.[4] Hij bekleedde het religieuze ambt van augur reeds voor 93 v.Chr.[5] In 93 v.Chr. verloor hij in de consulaatverkiezingen van de homo novus Marcus Herennius, die tevens augur was.[6]

Hij was consul in 91 v.Chr. samen met Sextus Julius Caesar.[7] Hij was bij het begin van de Marsische Oorlog tegenstander van de optimates. Hij verzoende zich echter later met hen en droeg inderdaad het zijne bij tot de afschaffing van de wetten van Marcus Livius Drusus minor.[8]

Tijdens de dictatuur van de populares onder Lucius Cornelius Cinna werd Philippus in 86 v.Chr. censor[9] en liet hij zijn oom Appius Claudius Pulcher uit de Senaat verwijderen.[10] Hij hield vervolgens zijn politieke activiteiten beperkt en trad in 82 v.Chr. tot de staf van Sulla toe, voor wie hij als legatus de provincia Sardinia wist te winnen, waarbij hij de tot de populares behoren praetor Quintus Antonius Balbus doodde.[11] Toen de strijd tussen Lucius Cornelius Sulla en Gaius Marius uitbrak, voegde hij zich bij de eerste. Hij achtte Gnaius Pompeius Magnus maior zeer hoog.

Zijn door Cicero[12] zeer geroemde welsprekendheid stelde hem in staat om onvoorbereid op te treden. Daarbij bezat hij veel geest en kennis van de Griekse taal en wetenschappen.[13] Van zijn redevoeringen, waarvan verscheiden genoemd worden, bezitten wij slechts enkele citaten.

Noten[bewerken | bron bewerken]

  1. Cicero, De Officiis II 73.
  2. Gaius, Institutiones IV 23.
  3. Indirect bewijs door de vermelding dat hij alle hoge ambten bekleedde: Cicero, De Officiis II 59.
  4. Cicero, Pro Murena 36, Brutus 166.
  5. Cicero, De Legibus II 31, vgl. Cicero, Brutus 166, Asconius Pedianus, Pro Cornelio 69C.
  6. Cicero, Brutus 166.
  7. Lex Antonia de Termessensibus (CIL I² 2.589, ILS 39); Cicero, Pro Cornelia de maiestate 1, fr. 24; Asconius Pedianus, 68-69C; Pro Cn. Plancio 52; Diodorus Siculus, Bibliotheca Historica XXXVII 2.2; Fasti Antiates (A. Degrassi, Fasti Consulares et Triumphales, in Inscriptiones Italiae XIII.1, Rome, 1947, pp. 164f.); Fasti Capitolini (A. Degrassi, Fasti Consulares et Triumphales, in Inscriptiones Italiae XIII.1, Rome, 1947, pp. 54f., 129, 480f.); Plinius maior, Naturalis Historia II 199, XXXIII 55; Florus, Epitome II 6.8; Iulius Obsequens, Ab anno urbis conditae dv prodigiorum liber 54; Eutropius, V 3.1; Scholion Bobbio 117f. (Stangl); Orosius, V 18.1; Chronograaf van 354; Fasti Hydatius; Chronicon Paschale; Cassiodorus.
  8. Cicero, De legibus II 12, 31.
  9. Cicero, In Verrem II 1.143, Fasti Capitolini (A. Degrassi, Fasti Consulares et Triumphales, in Inscriptiones Italiae XIII.1, Rome, 1947, pp. 54f., 130, 482f.), Valerius Maximus, Dicta et Facta Memorabilia VIII 13.4, Plinius maior, Naturalis Historia VII 156, Cassius Dio, XLI 14.5.
  10. Cicero, De domo sua 84.
  11. Titus Livius, Periochae LXXXVI 2.
  12. Brutus 47.
  13. Horatius, Epistulae I 7, 46, Cicero, Brutus 47.

Referenties[bewerken | bron bewerken]

  • T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, I, New York, 1951, p. 560.
  • T.R.S. Broughton, The Magistrates of the Roman Republic, II, New York, 1951, pp. 9-10 (n. 2), 16-17 (n. 9), 54, 57 (n. 2), 72.
  • art. Marcia gens - Philippi (2), in F. Lübker - trad. ed. J.D. Van Hoëvell, Classisch Woordenboek van Kunsten en Wetenschappen, Rotterdam, 1857, p. 580.