Nederlandsche Kultuurkamer

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

De Nederlandsche Kultuurkamer was een door de Duitse bezetter tijdens de Tweede Wereldoorlog ingesteld instituut, waar iedereen die het vak van kunstenaar, schrijver, muzikant of podiumartiest wilde uitoefenen, zich bij diende aan te melden. Wie, zonder dat zijn aanmelding bij de Kultuurkamer was geaccepteerd, toch artistieke arbeid verrichtte riskeerde een boete van ten hoogste f 5.000 (omgerekend naar de waarde in 2005 is dit € 29.500).

In Duitsland zelf was op 22 september 1933 de Reichskulturkammer opgericht door Joseph Goebbels, destijds "Reichsminister für Volksaufklärung und Propaganda". De Nederlandsche Kultuurkamer moest vanzelfsprekend ten dienste staan van de nationaalsocialistische ideologie, met als trefwoorden: nationalistische instelling, verbondenheid met land en volk, historisch besef, uitbannen van alle ontaarde, ongezonde, onnatuurlijke creativiteit, een positief-Germaanse houding. Aanmeldingen door Joden (zij die twee of meer Joodse grootouders hadden) of 'Joods-vermaagschapte' personen (zij die met personen van Joodse afkomst getrouwd waren), werden in beginsel niet geaccepteerd, hoewel de president van de Kultuurkamer ontheffing van die bepaling mocht geven.

De noodzaak van de Nederlandsche Kultuurkamer werd verwoord door haar president Goedewaagen: De nieuwe ordening, waar wij nu aan toe zijn, houdt in, dat de kultuurwerker weer een deel van het volk wordt. In nationaalsocialistische kring werd breed gevoeld dat de West-Europese kunstenaar na de Franse Revolutie steeds meer van zijn eigen volk vervreemd was geraakt. De kunstenaar was sindsdien zijn eigen weg gegaan, een weg die hem steeds verder wegvoerde van de volksgemeenschap. De Nederlandsche Kultuurkamer beoogde de kunstenaar terug te voeren naar die volksgemeenschap.

Het Nederlandse overheidsbeleid sinds het midden van de 19e eeuw ten aanzien van de kunst was gebaseerd op Thorbeckes uitlating: 'Kunst is geen regeringszaak'. De nationaalsocialisten dachten daar anders over. Zij maakten kunst tot regeringszaak. Naoorlogse kabinetten zetten de politiek van cultuurbevordering voort.

Geschiedenis[bewerken]

De Kultuurkamer werd op 25 november 1941 bij verordening door de Rijkscommissaris voor het bezette Nederlandsche Gebied, Seyss Inquart, in het leven geroepen. Zij zou bestaan uit 6 gilden:

  1. Filmgilde
  2. Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht
  3. Gilde voor Theater en Dans
  4. Letterengilde
  5. Muziekgilde
  6. Persgilde

In de verordening waarmee de Kultuurkamer in het leven werd geroepen, stond dat de Kultuurkamer geacht werd te functioneren op het moment dat er twee gilden zouden zijn ingesteld. Dat bleek op 22 januari 1942 het geval te zijn. Op 30 mei 1942 volgde de officiële plechtigheid waarbij de Nederlandsche Kultuurkamer geopend werd verklaard. In de Haagse Stadsschouwburg hield de filosoof dr. Tobie Goedewaagen (secretaris-generaal van het Departement van Volksvoorlichting en Kunsten en president van de Nederlandsche Kultuurkamer) een redevoering.

De organisatorische structuur van de Kultuurkamer was volgens het 'leidersprincipe'. Onder in de piramide zaten de verschillende kunstenaarsverenigingen, vervolgens de gildestaf met een gildeleider, daarboven de administratieve afdelingen van de Kultuurkamer met een directeur (dr. G. Hoekstra), waar boven een zaakvoerend vicepresident en een eerste vicepresident (prof. J. de Vries) stond, en tot slot stond aan de top de president van de Kultuurkamer (dr. T. Goedewaagen). De leiders van de gilden waren:

  1. Filmgilde: Jan Teunissen
  2. Gilde voor Bouwkunst, Beeldende Kunsten en Kunstambacht: Jan Bakker (april - sep. '42), opgevolgd door dr. ir. G.A.C. Blok
  3. Gilde voor Theater en Dans: Jan C. de Vos Jr.
  4. Letterengilde: prof. dr. J. de Vries
  5. Muziekgilde: Hendrik Rijnbergen
  6. Persgilde: Max Blokzijl, in juni '42 opgevolgd door mr.J.W. Huijts

De Kultuurkamer gaf vanaf januari 1942 een eigen tijdschrift uit: De Schouw.

Muziek[bewerken]

Later in de oorlog moest elk orkest beschikken over een goedgekeurd repertoire om in het openbaar op te mogen treden. Het moest lid zijn van de Kultuurkamer en moest een zogenaamde 'stijlvergunning' hebben. Hiermee werd het bijvoorbeeld onmogelijk Amerikaanse muziek uit te voeren.

Literatuur[bewerken]

Veel schrijvers weigerden lid te worden van de Kultuurkamer, en konden daarom hun werk tijdens de oorlog niet voortzetten. Enkele voorbeelden:

  • De schrijver Jan de Hartog weigerde lid te worden van de Kultuurkamer. Zijn boeken mochten daardoor niet meer herdrukt worden.
  • Ferdinand Bordewijk weigerde zich in aan te sluiten en mocht niet meer schrijven. Hij schreef echter toch door, onder het pseudoniem Emile Mandeau. Zijn werk Verbrande erven verscheen in 1944 onder die schuilnaam bij een clandestiene uitgeverij, De Bezige Bij.
  • Toen Adriaan Roland Holst zich bij de Kultuurkamer moest aanmelden deelde hij mee zich te schikken omdat dit nu eenmaal moest door de maatregelen van de bezetting, maar stelde daarbij dat Uw afkeuring van mijn lidmaatschap door mij op hoogen prijs zal worden gesteld. Daarna moest hij onderduiken. Temeer daar hij een afschrift van het bovenstaande ook nog aan de Duitse autoriteiten stuurde met begeleidende brief waarin hij stelde dat het pas sinds kort duidelijk was dat die sich vollziehende Veränderung von Cultuur in Kultur sich auf dem Wege von Polizeimaßnahmen durchsetzen würde. Als Westeuropäer fällt es nicht leicht, sich von diesen, sener Art fremden Auffässungen einem Begriff zu bilden.

In tegenstelling tot veel schrijvers meldden de meeste uitgevers zich wel voor de Kultuurkamer. Een krant die door bleef gaan was bijvoorbeeld De Telegraaf, en die van de bezetter uiteraard alleen maar de nazi-kant mocht belichten. Aanvankelijk probeerde de hoofdredactie de pro-Duitse artikelen (geschreven door NSB-journalisten die bij de krant werkten) zo veel mogelijk naar de laatste pagina van de krant te dirigeren. Dat lukte aanvankelijk ook, maar uiteindelijk werden alle leden van de hoofdredactie door de nazi's uit de Telegraaf-redactie gewerkt. Wat overbleef was een volledig door de Duitsers gecontroleerde redactie en een pro-Duitse krant. In reactie daarop ontstonden verschillende illegale uitgeverijen, zoals De Bezige Bij.

Na de oorlog werd via een onderzoekscommissie aan een aantal Nederlandse auteurs een publicatieverbod van enkele jaren opgelegd. In deze commissie, de Eereraad voor de Letterkunde genoemd, zaten schrijvers als Martinus Nijhoff en Ferdinand Bordewijk.

Theater[bewerken]

Artiesten uit de amusementswereld probeerden zich over het algemeen niet aan aanmelding te onttrekken. Velen stonden zelfs positief tegenover de oprichting van de Kultuurkamer. Gedurende de jaren dertig was het aantal variétéartiesten in Nederland namelijk fors toegenomen. Onder de nieuwelingen bevonden zich veel personen wier vakbekwaamheid door hun collega's in twijfel werd getrokken. De Kultuurkamer werd onder andere opgericht onder het mom dat ze dergelijke 'beunhazerij' zou tegengaan.

Als verzachtende omstandigheid voor het gebrek aan verzet onder amusementsartiesten werd na de oorlog ook wel aangevoerd dat de meesten van hen het vak van artiest als enige broodwinning hadden. Ook zou het voor hen, door de lichtvoetige aard van hun kunst, eenvoudiger zijn geweest om zich verre van politieke stellingname te houden.

Wim Sonneveld verwoordde zijn motivatie na de bevrijding in een theatervoorstelling als volgt:

Ik heb altijd gewoon gedacht: als het publiek nog eens een ogenblik z'n misère-van-alledag-van-bonnen-en-oorlog-en-concentratiekampen vergeten kan, dan draagt het diezelfde misère de volgende dag een beetje gemakkelijker. Die twee dingen heb ik geprobeerd te combineren, Kultuurkamer of geen Kultuurkamer.

Het publiek scheen die opvatting te delen: oproepen in illegale verzetskrantjes om niet naar amusementsvoorstellingen te gaan hadden geen merkbaar effect. Onder de theaterartiesten die zich wél aan aanmelding onttrokken waren Albert van Dalsum, Fien de la Mar en Joop Doderer.

Literatuur[bewerken]

  • Claartje Wesselink, Kunstenaars van de kultuurkamer: geschiedenis en herinnering, Amsterdam, Uitgeverij Bert Bakker, 2014, 426 p., ISBN 9789035140615

Externe link[bewerken]