Parijse Commune van 1792

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Het volk voor het stadhuis

De Parijse Commune van 1792 was het bolwerk van de montagnards en speelde een belangrijke rol in de Franse Revolutie. De oorspronkelijke Commune (Commune légale) werd opgericht op 15 juli 1789, de dag na de bestorming van de Bastille. De astronoom Jean Sylvain Bailly werd de eerste burgemeester ervan; Markies de la Fayette werd als commandant van de burgerwacht benoemd.[1]

De Commune van Parijs bestond aanvankelijk uit 60 secties, maar sinds 1790 uit 48 met elk een revolutionair comité, een legertje en politieke agenten. De secties zonden commissarissen naar het Parijse stadhuis, die naast het wettige gemeentebestuur functioneerden en daarna vervingen.[2] Revolutionaire clubs als de Club des Jacobins - de 'Sociëteit van Vrienden van de Constitutie', oorspronkelijk een groepje volksvertegenwoordigers uit Bretagne - en de Club des Cordeliers - de 'Sociëteit van de Vrienden van de Rechten van de Mens en de Burger' - probeerden de Commune onder controle te krijgen.[3]

Op 17 juli 1791 zette Bailly de nationale garde in tegen betogers op het Champ-de-Mars, die de afzetting van de koning eisten. In november is Bailly afgezet en vervangen door Jérôme Pétion de Villeneuve.

In de nacht van 9 augustus 1792 bezetten de Jacobijnse volksvertegenwoordigers, sansculotten van de Parijse secties en het legertje uit Marseille het stadhuis en riepen de "Commune insurrectionnelle" uit, de opstandige Commune van 1792, gedomineerd door de sansculotten, met twee keer zoveel ambachtslieden en advocaten als voorheen. Op 10 augustus volgde de bestorming van de Tuileriën. De Législative moest de commune wel erkennen, die de steun had van de montagnards. Er ontstond een competentiestrijd met de Uitvoerende Raad, de voorlopige regering.[4]

Nadat de koning op 13 augustus 1792 was gevangengezet in de Tour du Temple, raakte de Assemblée Législative in strijd met de commune. De commune eiste de instelling van een buitengewone strafrechtbank om te oordelen over contrarevolutionaire misdrijven en verraad aan de vijand. De commune riep Jacques Pierre Brissot ter verantwoording, vervolgens barstte de aanval van de Girondijnen op de van wederrechtelijke machtsuitoefening en dictatuur beschuldigde commune los.[5] Op 16 augustus verbood de commune alle processies en openbare godsdienstige ceremoniën.[6] De Commune en de secties, die zich te buiten waren gegaan bij huiszoekingen, werden op 30 augustus per decreet opgeheven.[7] Dit conflict had grote invloed op het verloop van de Revolutie. Geleidelijk ontstond er een uitzonderingstoestand; er werd een uitgaansverbod ingesteld. De Verkiezingen voor de Franse Nationale Conventie 1792, tussen 2 en 10 september, zouden echter gewoon doorgaan.

Op 2 september 1792 werd de stad Parijs verschanst, tegen de Oostenrijkse legers die waren opgetrokken tot Verdun, waarna de stad capituleerde. De leiders van de girondijnen achtten de militaire toestand hopeloos en ze dachten erover met de regering Parijs te verlaten.[8] Jean-Paul Marat had de vrijwilligers aangeraden de hoofdstad niet te verlaten zonder eerst de vijanden van het volk hun gerechte straf te hebben doen ondergaan.[9] Vervolgens kwam het tot de Septembermoorden waarbij honderden gevangenen werden vermoord.

De commune blies de nationale verdediging nieuw leven in. Zij vorderde wapens en paarden, klokken en kerkelijk zilver en beroofde het koninklijke meubelmagazijn. Zij organiseerde ateliers waarin men kleding voor de troepen vervaardigde.[10] Pétion werd benoemd tot afgevaardigde naar de Conventie en trad af als burgemeester.

De sansculotten eisten beperking op eigendom en economische vrijheid.[11] Al op 29 november 1792 eiste de commune een maximum broodprijs[12], die op 4 mei is gerealiseerd. Acties tot loonsverhoging werden onderdrukt met behulp van de Wet Le Chapelier.

Op 25 mei 1793 eiste de commune vrijlating van Jacques-René Hébert[13], die de girondijnen de vorige dag hadden laten arresteren als aanstichter van de onlust. Op 4 september kwam het tot een uitbarsting van volkswoede vanwege de gestegen prijzen. Op 5 september werd het Schrikbewind ingesteld. Verdacht waren ook zij die hun inkomen niet konden verantwoorden.[14] De Commune verzorgde de distributie van levensmiddelen en rantsoenkaarten.[15] Eind oktober werden verschillende leden van de Comité van algemene veiligheid en welzijn de provincie in gezonden om actief verzet tegen de Jacobijnen de kop in te drukken. Op 23 november werd alle kerken gesloten door de commune. De godsdienst werd vervangen door de Cultus van de Rede.[16]

De commune stond vanaf 30 maart 1794 onder invloed van Robespierre.[17] Op 1 april werd de commune gezuiverd[18] en geleid door de Brusselaar Fleuriot-Lescot, een volgeling van Robespierre. De prijsbeheersing was een aanfluiting geworden en de zwarte markt tierde welig.[19] Op 26 juli hield Robespierre, die weken niet aanwezig was geweest, een lange toespraak in de Conventie.[20] Op 27 juli kreeg Robespierre niet het woord; er was inmiddels door Joseph Fouché en Jean Lambert Tallien een complot georganiseerd om hem ten val te brengen.

Namens de commune van Parijs werden de arrestanten bevrijd en naar het stadhuis geleid.[21] De commune liet de stormklokken luiden, maar het volk kwam niet op de been. 's Nachts overmeesterde Paul Barras het stadhuis. De commune was overwonnen zonder zich verdedigd te hebben.[22] Couthon kroop onder de tafel. Augustin, de broer van Robespierre sprong uit het raam en brak zijn beide benen, Lebas schoot zich een kogel door het hoofd. Robespierre had een verbrijzelde kaak, de oorzaak is onduidelijk. Dit was de machtsgreep van 9 Thermidor van het jaar II (27 juli 1794).

De volgende middag werden Robespierre, Saint-Just, Couthon en 19 anderen geguillotineerd. Toen zijn hoofd aan de menigte werd getoond, brak een gejuich uit dat maar niet wilde ophouden. De club der Jacobijnen werd gesloten.

Referenties[bewerken]

  1. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 113.
  2. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 201.
  3. http://www.republikanisme.nl/burgerschap.html
  4. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 210.
  5. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 209.
  6. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 214.
  7. J. Israel (2017) Revolutionaire ideeën, p. 356
  8. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 211.
  9. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 212.
  10. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 216.
  11. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 223.
  12. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 237.
  13. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 250.
  14. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 285.
  15. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 291.
  16. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 295.
  17. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 207.
  18. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 321.
  19. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 345.
  20. Flake, O. (1968) De Franse Revolutie, 1789-1799, p. 172-174.
  21. http://www.worldwidebase.com/bekendepersonen/robespierre.shtml
  22. Soboul, A. (1979) De Franse Revolutie I, p. 349.

Externe link[bewerken]