Bestorming van de Tuilerieën

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
La prise des Tuileries door Jean Duplessi-Bertaux, 1793

De Bestorming van de Tuilerieën (Frans: Prise des Tuileries, beter bekend als Journée du 10 août 1792 oftewel "Dag van 10 augustus 1792") was een cruciale gebeurtenis tijdens de Franse Revolutie, waarbij verschillende revolutionaire milities op 10 augustus 1792 een aanval deden op het Tuilerieënpaleis in Parijs, waar koning Lodewijk XVI van Frankrijk zich had verschanst met 900 Zwitserse soldaten als bescherming. Het gevecht was het gevolg van toenemende spanningen tussen de impopulaire constitutionele monarchie en radicaliserende revolutionairen die steeds republikeinser werden, mede door de voor Frankrijk aanvankelijk rampzalig verlopende Eerste Coalitieoorlog, waarvan de koning de schuld kreeg. Nadat een deel van de Nationale Garde was overgelopen naar de aanvallende Parijse sansculotten en Zuid-Franse jakobijnen, bleef alleen de Zwitserse Garde nog over voor de verdediging van het paleis. Toen na een urenlange confrontatie uiteindelijk een vuurgevecht uitbrak, kwam twee derde van de Zwitserse lijfwacht om en werd de koning gevangengenomen en afgezet.

Verloop[bewerken]

In de nacht van 9 op 10 augustus 1792 vergaderden de 48 Parijse secties van de sansculotten, in 1784 ondergebracht in 12 arrondissementen. 47 secties spraken zich uit voor afzetting van de koning. Het stadhuis van Parijs werd bezet, het stadsbestuur werd afgezet en in zijn plaats werd een nieuwe Commune insurrectionelle gevormd. Georges Danton liep heen en weer en werd de volgende dag benoemd tot minister van Justitie in een comité van louter girondijnen. Bij de jakobijnen nam Robespierre de leiding.

De Leeuw van Luzern herinnert sinds 1821 aan de slachtoffers onder de Zwitserse garde

Op 10 augustus werd het Tuilerieënpaleis bestormd. Om acht uur 's ochtends kwam de federatie uit Marseille aan. De Zwitserse lijfwacht van de koning opende het vuur. Vroeg in de ochtend ging Lodewijk XVI de tuin in om de Nationale Garde aan te moedigen. Hij nam daarna zijn toevlucht, samen met de koninklijke familie, tot de vergaderzaal van de Assemblée in de manege. Om tien uur gaf de koning de Zwitserse Garde het bevel het vuren te staken en ondertekende daarmee hun doodvonnis. Het werd de bloedigste dag in de Franse Revolutie.

Alle kamers en kasten werden doorzocht. De ongelukkigen die zich daar verstopt hadden, werden uit de ramen geworpen. Meer dan honderd bedienden van de koning ondergingen hetzelfde lot. Sommigen hadden zich verstopt in de schoorsteenpijpen. Men bracht een bezoek aan keukens en kelders van het paleis. De dronken menigte danste rond de vuren op de binnenpleinen. Tegen de middag was de strijd afgelopen.

De toren van de Temple (1795)

Ook burgemeester Pétion van Parijs liet zich gevangenen nemen.[1] Tussen de toeschouwers bevond zich Napoleon Bonaparte. De bescherming van de Assemblée bleek niets waard: de koning en zijn gezin werden door de Commune gevangengezet in de Temple, met een smoes: "voor hun veiligheid". Om de familie rustig naar de Temple te krijgen werd hen listig voorgespiegeld dat ze in het stadspaleis aldaar zouden verblijven. Het werd de sombere donjon.

Nasleep[bewerken]

Op 19 augustus liep Markies de La Fayette over naar de vijand. Op 21 augustus vond de eerste terechtstelling plaats onder de guillotine. Vervolgens kwam het tot de Septembermoorden waarbij honderden gevangenen op brute wijze werden vermoord.

Nadat de monarchie op 21 september was afgeschaft, raakte de Conventie, opvolger van de Nationale Vergadering, in conflict met de 'commune', het stadsbestuur van Parijs, dat door de sympathisanten van Robespierre beheerst werd. Dit conflict zou dramatische gevolgen hebben voor het verloop van de Revolutie.