Ponzifraude

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Foto van Charles Ponzi, 1920

Ponzifraude is een methode om mensen op te lichten door een belegging aan te bieden waarbij de uitbetaalde gelden (deels) worden gefinancierd uit de inleg van nieuwe klanten. Vaak biedt de oplichter daarbij een rendement aan dat niet in verhouding staat tot het voorgespiegelde risico.

Ponzifraude is vernoemd naar Charles Ponzi, een Amerikaanse gelukszoeker van Italiaanse afkomst.

Met ponzifraude wordt de schijn gewekt van een zeer succesvolle belegging, waardoor steeds meer gegadigden worden aangetrokken. Deelnemers wordt verzocht hun bijdrage in te leggen, waarbij hen ook hoge rendementen worden voorgespiegeld. In werkelijkheid wordt het ingelegde geld helemaal niet gebruikt om in productieve activiteiten te investeren. Vaak wordt beweerd dat men een revolutionaire beleggingsmethode heeft gevonden. De rendementen lijken aanvankelijk ook te worden gehaald en uitgekeerd, waarna meer mensen zich inschrijven. Ook hierbij worden echter de uitkeringen betaald met de bijdragen van nieuwkomers.

Ponzifraude vertoont sterke overeenkomsten met piramidespelen al zijn er enkele verschillen: bij ponzifraude zijn het niet de bestaande deelnemers die nieuwe deelnemers moeten zoeken, maar doen de organisatoren dit. Deelnemers krijgen geen uitkering afhankelijk van het aantal nieuwelingen dat ze binnenbrengen, maar afhankelijk van de tijdsduur en de grootte van de inleg. Dit maakt het ook makkelijk om de constructie te "vermommen" als een beleggingsproduct. Een geval van ponzifraude zal in stand blijven zolang de nieuwkomers genoeg inleggen om de zogenaamde "winsten" uit te betalen. Het zou er zo uit kunnen zien:

  • A start een ponzifraudeschema en belooft een rendement van 50% per maand. B en C schrijven ieder voor 1000 in; (A heeft nu 2000)
  • Maand 1: A betaalt B en C hun inleg plus rendement uit. (A heeft nu -1000)
  • Maand 2: B en C vertellen aan anderen dat ze zoveel hebben verdiend via A. Hierdoor schrijven D, E, F, G en H zich in en brengen 5000 in; (A heeft nu 4000)
  • Maand 3: Ook D t/m H zijn enthousiast waardoor I t/m Z zich inschrijven voor een totaal van 18000. D t/m H krijgen in totaal 7500. (A heeft nu 14500).
  • Maand 4: I t/m Z zijn ook wel enthousiast maar er is niemand meer over die het vertrouwt en nog niet ingeschreven is. A vindt dus geen geïnteresseerden meer en verdwijnt met zijn winst, I t/m Z zijn hun geld kwijt.

Hoewel ponzifraude van tevoren gearrangeerd kan zijn, is het ook mogelijk en komt het zelfs vaak voor dat investeringsplannen verworden tot ponzifraudes. Vaak zijn hoge kosten of tegenvallend rendement de oorzaak, waardoor de transactie onvoldoende opbrengsten genereert om de investeerders te betalen. De organisator raakt in het nauw en besluit als 'noodoplossing' het geld van nieuwe investeerders aan te wenden voor betaling van de kosten of rendementen. Wanneer hij makkelijk geld uit de markt kan trekken bestaat de kans dat hij het nogmaals probeert, en na verloop van tijd houdt de transactie zich nauwelijks meer bezig met nieuwe investeringen, maar worden uitkeringen betaald met inleggen van nieuwkomers. Het oorspronkelijk bonafide investeringsplan is nu verworden tot een ponzischema.

Omdat bij ponzifraude "de baat voor de kost uit gaat", zal de organisator de beloofde rendementen aanvankelijk makkelijk kunnen betalen en er zelf een flink bedrag aan overhouden. Het is overigens de kunst van een ponzifraudeur om de gelden niet cash uit te betalen op de vervaldag, maar opnieuw renderend uit te zetten. Dus inlegbedrag plus de beloofde rendementen. Wanneer de gelden niet in cash worden opgevraagd, kan hij de fraude jarenlang volhouden. Middels valse bankoverzichten en andere financiele statements zal de ponzifraudeur de gelduitleners zand in de ogen strooien en het doen voorkomen, alsof de investering goed rendeert. Dit blijft goed gaan tot er op een bepaald moment te weinig deelnemers bijkomen en/of te veel geldverstrekkers hun ingelegd geld proberen op te nemen. Op zo'n moment zal bij de fraudeur een liquiditeitstekort optreden en zal de fraude aan het licht komen. Dit was bijvoorbeeld het geval bij Bernard Madoff.

Ponzifraude lijkt op een piramidespel maar houdt langer stand omdat er minder nieuwe deelnemers vereist zijn. Bernard Madoffs ponzifraude hield bijvoorbeeld bijna 30 jaar stand omdat hij een goed maar niet excessief rendement bood. De markt wordt dus minder snel "leeggevist". Ponzifraudeschema's worden soms abusievelijk ook piramidespelen genoemd.

Het willens en wetens deelnemen aan een ponzifraude, zelfs tijdens de laatste deelname ronde van de fraude, kan financieel gezien een rationele beslissing zijn als de staat de gedupeerden financieel te hulp schiet.[1]

Bekende fraudezaken[bewerken]

  • Charles Ponzi begon in 1920 met een investeringsplan waarbij gelden van investeerders zouden worden gebruikt voor arbitrage. De rendementen werden echter betaald met de inleg van nieuwkomers, en na 6 maanden werd Ponzi gearresteerd. Voortaan werd dit type fraude hierdoor naar Charles Ponzi genoemd.
  • De oplichter René van den Berg werd op 14 augustus 2006 veroordeeld wegens het opzetten van een ponzifraude in Nederland.
  • Ook de zakenman Bernard Madoff is op 11 december 2008 gearresteerd wegens het oplichten van beleggers in zijn bedrijf voor ruim 50 miljard dollar. Dit is bereikt door het hanteren van ponzifraude. Het is één van de grootste fraudezaken ooit. Madoff gaf investeerders de garantie van een rendement van 10 procent.
  • Begin februari 2009 werd Allen Stanford beschuldigd van grootschalige fraude via het ponzisysteem.

Literatuur (onder andere)[bewerken]

  • P.M.Clikeman Called to Account; Fourteen Financial Frauds that Shaped the American Public Accounting Profession (2008)
  • F. Roest & R. Stijnen "Beleggen in gebakken lucht. Herkennen, bestrijden en voorkomen van fraude met beleggingsproducten." (2009), uitgeverij Kerckebosch.
Bronnen, noten en/of referenties
  1. Utpal Bhattacharya (2003). The optimal design of Ponzi schemes in finite economies. Journal of Financial Intermediation 12: 2–24 . DOI:10.1016/S1042-9573(02)00007-4.