Profijtbeginsel

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Het profijtbeginsel is een belangrijke gedachte uit de leer over de openbare financiën.

De overheid produceert allerlei goederen en diensten, zoals openbaar vervoer of gezondheidszorg. De overheid kan deze goederen gratis verstrekken. Het nadeel van gratis verstrekken is dat de consument niet wordt gedwongen tot een eigen afweging over het nut van dit goed. Daarom vraagt de overheid voor veel diensten een prijs. Deze prijsstelling heeft twee bedoelingen:

  • de consumenten een afweging laten maken over het nut van het goed
  • de consumenten te laten bijdragen in de kosten van het goed of dienst.

Sedert de jaren 80 van de twintigste eeuw is het profijtbeginsel een belangrijk beleidsinstrument geworden. De invoering van dit beginsel bevordert een goede verdeling van goederen en diensten overeenkomstig de wensen van de mensen.

Het profijtbeginsel is gebaseerd op de gedachte dat burgers en bedrijven moeten bijdragen in de kosten van de door de overheid voortgebrachte voorzieningen naar de mate van het profijt dat zij (de burgers) van die voorzieningen hebben. Een voorbeeld van een belasting die hierop gebaseerd is, is de motorrijtuigenbelasting.

Sommige belastingen die op het profijtbeginsel gebaseerd zijn, worden - zonder duidelijke verantwoorde argumentatie - in de praktijk gebruikt om andere potjes te financieren. Een eventueel oneigenlijke gebruik heeft dan niets met het profijtbeginsel te maken. Een voorbeeld daarvan is bovengenoemde motorrijtuigenbelasting. Oorspronkelijk bedoeld als bijdrage van de automobilist voor de aanleg en het onderhoud van wegen en straten, worden nu de inkomsten daaruit aan de algemene middelen toegevoegd. Het is zelfs niet meer nodig met het voertuig van de openbare weg gebruik te maken om motorrijtuigenbelasting verschuldigd te zijn. Het bezit van een motorvoertuig voldoet reeds.

Haaks op het profijtbeginsel (wie profijt heeft, betaalt), staat soms het billijkheidsbeginsel of draagkrachtbeginsel. Dit beginsel houdt in dat de hogere inkomens hogere belastingtarieven hebben dan de lagere inkomens.

De theorie van het profijt en de draagkracht staat deels in het kader van de effecten die belastingen en subsidie bedoeld en onbedoeld hebben.
Een subsidie heeft als effect dat men iets bevordert. Zo kan het zijn dat de overheid boeren wil steunen maar dat overproductie van melk (melkplassen) het gevolg is.
Een belasting gaat tevens iets tegen. Zo kan meer belasting) op (sommig) werk ertoe leiden dat mensen minder geneigd zijn te studeren of carrière te maken voor een beter betaalde baan, of meer zwart gaan werken.
Het strikt toepassen van het profijtbeginsel, is een manier om dergelijke onbedoelde neveneffecten te voorkomen. Men zou dan niet de productiefactor arbeid moeten belasten maar onder andere naar de mate van gebruik van openbare voorzieningen.