Publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie was een bij wet ingestelde vereniging van producenten of ondernemers. Hierbij wordt onderscheiden het productschap en het bedrijfschap.

De publiekrechtelijke organisaties kennen verplicht lidmaatschap en zij kunnen bindende voorschriften uitvaardigen.

De Wet van 17 december 2014 tot wijziging van de Wet op de bedrijfsorganisatie en andere wetten in verband met de opheffing van de bedrijfslichamen (Wet opheffing bedrijfslichamen) regelt het opheffen van de product- en bedrijfschappen. Vooruitlopend daarop zijn de publieke taken per 1 januari 2014 overdragen aan de ministeries van EZ en VWS, met overgang van de medewerkers.

De afbouwplannen van de 6 bedrijfschappen zijn gericht op volledige beëindiging van de activiteiten in 2014.

Bepaalde taken zijn overgegaan naar de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland.

Geschiedenis[bewerken]

In Nederland werden dergelijke organisaties nog tot aan het begin van de Tweede Wereldoorlog onverenigbaar geacht met het Nederlandse constitutionele stelsel.

Ze pasten als zelfregulerend orgaan wel in de idee van een corporatieve staat. Dit door Salazar geformuleerde staatsbegrip werd in diskrediet gebracht omdat Mussolini, Hitler, Franco en Salazar de publiekrechtelijke organisatie als deel van hun niet-democratische ideologieën opnamen. Omdat in de dictaturen klassieke grondrechten als die van de vrijheid van vereniging en vergadering zonder staatsinmenging niet werden gerespecteerd werden de corporaties instrumenten in dienst van het autoritaire regime. Zij droegen niet langer een eigen verantwoordelijkheid, maar werden gebruikt en misbruikt als een van de bureaucratische instrumenten die de greep van een totalitair politiek regime op de samenleving, in dit geval op het bedrijfsleven, te versterken.

Tijdens de Duitse bezetting werd ook in Nederland een publiekrechtelijke organisatie opgebouwd naar Duits model. Arthur Seyss-Inquart koos in zijn verordeningen voor bedrijfschappen met een strakke hiërarchische organisatie onder leiding van door de staat aangestelde collaborateurs die door hem tot voorzitter waren benoemd. Die vorm van corporatisme diende de onderdrukking en ging niet uit van het in het Nederlands recht geldende subsidiariteitsbeginsel, de door de gereformeerden in Nederland nagestreefde en door Abraham Kuyper verwoordde soevereiniteit in eigen kring of functionele decentralisatie van de overheidsorganisatie.

Na de oorlog had de publieksrechtelijke organisatie een vaste plaats in de Nederlandse economie en het Nederlands bestuursrecht gekregen die niet ongedaan werd gemaakt. Ook het democratische bevrijde Nederland hield de Publiekrechtelijke organisaties in stand. Korte tijd werd nog over corporatisme als staatkundig beginsel gesproken bij vruchteloze pogingen om de Eerste Kamer der Staten-Generaal te hervormen. De liberale voorman Professor Oud pleit in 1957 voor een organische samenstelling van de Senaat, waardoor publiekrechtelijke organen overbodig zouden worden. Hij onderschreef de grondgedachte van de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie, waarbij een gemeenschap wordt opgeroepen haar eigen zaken te regelen. Maar, vervolgt Oud dan: "Toch blijft daarbij waakzaamheid geboden. De bedrijfsgenoten kunnen het wel eens zo goed met elkaar gaan vinden dat het algemeen belang aan het groepsbelang wordt opgeofferd. Het is de plicht van de centrale overheid ons daarvoor te behoeden." De afstand tussen Publiekrechtelijke organisatie en overheid mocht niet te groot worden.

In 1971 besteedt de commissie Cals-Donner in zijn voorstellen voor de grondwetsherziening nog aandacht aan de mogelijkheid corporatieve elementen een rol te laten spelen bij het samenstellen van de Eerste Kamer. Maar bij de bespreking van de voorstellen van Cals-Donner in het parlement werd daarover niet gesproken.

Daarmee werd het beleid van de opeenvolgende Nederlandse regeringen na de Tweede Wereldoorlog over plaats en rol van corporaties en Publiekrechtelijke organisaties bevestigd. De breed gedragen keus voor een sociaal-economische ordening die niet centralistisch door de staat werd aangestuurd, en een gebrek aan ordening als onder laissez faire-stelsels, koos men een evenwichtige tussenweg[1]. Daarbij stond voor de regering voorop dat beroeps- en bedrijfsgenoten hun belangen het beste behartigd zien als zij zeggenschap hebben over hun eigen zaken. Maar de regering dulde geen vrijblijvende zeggenschap. Die zeggenschap moest worden gekoppeld aan het mede dragen van verantwoordelijkheid voor het algemeen belang en onder toezicht staan van de democratische overheid[2].

De naoorlogse codificatie[bewerken]

In 1948 diende het Kabinet Drees een voorstel tot Wet op de Bedrijfsorganisatie in bij de Tweede Kamer. Aan het einde van de jaren vijftig waren er bijna vijftig bedrijfslichamen opgericht, de meeste daarvan in de agrarische en in de ambachtelijke sector. Elders in het bedrijfsleven werden de publiekrechtelijke bedrijfsorganisaties geen succes. De zelfregulering van het bedrijfsleven is dus maar in beperkte mate tot stand gekomen. Bovendien blijkt dat de product- en bedrijfschappen in de praktijk uiterst terughoudend gebruikmaken van hun bevoegdheden[3].

De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie zijn niet in ieders ogen geslaagd. Tijdens rellen in Hollandscheveld verzetten boeren zich in 1963 tegen de in hun ogen ten onrechte opgelegde heffingen van het Landbouwschap. Het kwam tot een fel conflict tussen landbouwers aan de ene zijde en politie en deurwaarders anderzijds. De Boerenpartij dankte daaraan haar succes in de daaropvolgende verkiezingen. Tijdens een debat in de Tweede Kamer oordeelde het GPV kamerlid Schutte in 1992 dat "de publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie niet zijn geworden wat de voorstanders ervan verwacht en de tegenstanders gevreesd hadden."

De SER houdt sinds 1950 toezicht op de diverse product- en bedrijfschappen. De SER is formeel geen overheidsorgaan maar wordt wel getypeerd als semioverheid

De publiekrechtelijke bedrijfsorganisatie staan centraal in het Nederlandse model van overleg, het "Poldermodel". De kerngedachte die in Nederland vrijwel door iedereen wordt onderschreven, is dat sociaal-economisch beleid gemeenschappelijk beleid moet zijn.