Regaal (vorstelijk recht)

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken

Een regaal is een recht of prerogatief dat is voorbehouden aan een monarch.

‘’’Regalia’’’ (lat. iura regalia = koninklijke rechten) is sinds de 11de eeuw de benaming voor rechten en praerogativa die sinds de Frankische tijd aan de koning/keizer toekwamen, of waar hij aanspraak op maakte. Deze hoogheidsrechten behoorden, anders dan in het Romeinse Rijk, aan de koning persoonlijk. Dat kwam voort uit de christelijke gedachte dat de koning/keizer ‘’Dei gratia’’, door God aangesteld was. De regalia behoorden tot zijn persoonlijk vermogen en waren net als andere vermogensbestanden deelbaar en overerfelijk.

Enerzijds bestonden de regalia uit overheidsgezag, anderzijds uit tal van economische rechten. Met het uiteenvallen en de verzwakking van het Frankische rijk kwamen deze rechten grotendeels in handen van de nieuwe territoriale machthebbers, de landsheren. In 1158 probeerde Frederik Barbarossa het gezag in Italië te herstellen door op de Rijksdag een wijsdom, de Constitutio de regalibus te presenteren die opgesteld was door juristen van de universiteit van Bologna. Daarna werd deze aangepast met Germaans recht om als Corpus iuris civillis in West-Europa te dienen als regeling voor het leenrecht. Het is nog lang door rechtsgeleerden als geldend aangemerkt.[1]

Regalia[bewerken]

Van de regalia is het grootste gedeelte opgenomen in de Corpus iuris civillis. Een aantal wel geldende regale rechteen is niet vermeld.

Een gewild tolrecht was dat van Lobith, strategisch gelegen bij de splitsing van Rijn en Waal

Opgenomen regalia[bewerken]

Niet opgenomen regalia[bewerken]

  • jachtrecht (is later door de landheren opgenomen)
  • het recht op opengevallen nalatenschap van bastaarden (droit bâtardise)
  • idem van vreemdelingen (droit dáubaine)
  • het recht om met uitsluiting van anderen zwanen te houden (zwaandrift)
  • het recht van strandvondst (droit d’épaves)

Verval regalia[bewerken]

Veel regalia zijn vanaf de 11de eeuw overgegaan aan landsheren, waarna het van de landsheer weer overging op steden of (plattelands)heerlijkheden. Dit ging via lening, vererving, huwelijk, koop of een vorm van usurpatie.

Met de Staatsregeling van 1798 zijn alle regale rechten afgeschaft. Enkele van de regale rechten zijn als 'oud zakelijke rechten' (heerlijke rechten) blijven bestaan, zoals een enkel recht van zwanendrift en een enkel visrecht.[2]

Externe link[bewerken]