Rotje

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Naar zoeken springen
Ontploffend rotje, 2006.

Een rotje (ook wel bombel, (Engels) cracker, firecracker, kanonslag of knaller(tje) genoemd) is een klein, cilindervormig stuk vuurwerk dat is ontworpen om een knal zonder lichteffecten te produceren als het ontbrandt. Eén enkel rotje kan 100 decibel[bron?] aan geluid produceren en tot gehoorbeschadiging leiden. Rotjes worden ontstoken door het uiteinde van de lont in open vuur te houden. De lont gaat hierdoor branden, tot het vuur het buskruit bereikt dat in het rotje zit. De snelle ontbranding van het kruit veroorzaakt een explosie, die een abrupte luchtverplaatsing met een schokgolf geeft, te horen als een knal.

Herkomst[bewerken | brontekst bewerken]

Vuurwerk werd uitgevonden door de Chinezen in de zevende eeuw en is rond de zestiende eeuw in Europa gekomen. Onder de vele soorten was ook knalvuurwerk, zoals "Klappers". In 1871 werd door Jan ter Gouw een wreed en gevaarlijk Amsterdams kwajongensspel beschreven waarin een "rot" (Amsterdams voor "rat") ingepakt werd in brandbaar materiaal, aangestoken en losgelaten werd, totdat hij door angstige en boze vrouwen in de gracht gejaagd werd. Dit gebruik was vermoedelijk de aanleiding om een klein soort knalvuurwerk "rotje" te noemen; dat gebeurde zeker al in 1895.[1]

Soorten[bewerken | brontekst bewerken]

Er zijn verschillende soorten rotjes:

  • Kanonslagen
  • Rotjes
  • Matten of klappers
  • Crackers

Kanonslagen zijn de meest gebruikte rotjes in Nederland. Ze zijn ongeveer 6,4 centimeter lang en 1,3 centimeter breed. Bekende soorten "kanonslag" zijn de 'astronaut', de 'shising', TNT en Wolff cracker.

Duitse rotjes in verschillende maten, 2009.

Zie ook[bewerken | brontekst bewerken]

Zie de categorie Firecrackers van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.