Ruprecht I van de Palts

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Naar navigatie springen Jump to search
Ruprecht I van de Palts
1309-1390
Ruprecht I., 1910.jpg
Paltsgraaf aan de Rijn
Keurvorst van de Palts
Periode 1353-1390
Voorganger Rudolf II
Opvolger Ruprecht II
Vader Rudolf I van de Palts
Moeder Mechtild van Nassau

Ruprecht I van de Palts bijgenaamd de Rode (Wolfratshausen, 9 juni 1309 - Neustadt, 16 februari 1390) was van 1353 tot 1356 paltsgraaf aan de Rijn en van 1356 tot 1390 keurvorst van de Palts. Hij behoorde tot het huis Wittelsbach.

Levensloop[bewerken]

Ruprecht I was de vierde zoon van paltsgraaf Rudolf I aan de Rijn, die eveneens hertog van Opper-Beieren was, en diens echtgenote Mechtild, dochter van Rooms-Duits koning Adolf van Nassau. Zijn oom was keizer Lodewijk IV de Beier van het Heilige Roomse Rijk. Zijn jeugd werd gekenmerkt door de intrafamiliale strijd tussen Rudolf I en Lodewijk IV.

Na het overlijden van zijn vader in 1319 werden Ruprecht I en zijn oudere broers Adolf en Rudolf II onder de voogdij van graaf Johan van Nassau geplaatst, die een aanhanger was van het huis Habsburg. Omdat hun vader in 1317 een verdrag met de Habsburgers had ondertekend, had hun oom Lodewijk IV de Rijnpalts met wapengeweld ingenomen. In augustus 1322 kwam er een einde aan de oorlog, maar het was pas na het overlijden van hun moeder in juni 1323 dat er een blijvende verzoening mogelijk werd en er toenadering kwam tussen Lodewijk IV en zijn drie neven.

In 1328 beslisten Lodewijk IV, Rudolf II en Ruprecht I om tot een landsverdeling over te gaan, die op 4 augustus 1329 geregeld werd in het Huisverdrag van Pavia. Lodewijk IV en zijn zonen behielden Opper-Beieren, terwijl Ruprecht I en zijn broer Rudolf II de regering in de Rijnpalts overnamen. Aanvankelijk regeerden ze gezamenlijk met hun neef Ruprecht II, de zoon van hun broer Adolf, maar op 18 februari 1338 kwam het tot een nieuwe landsverdeling.

In 1349 ondersteunden Ruprecht I en Rudolf II Günther van Schwarzburg als Rooms-Duits tegenkoning. Toen Ruprecht I in 1353 Rudolf II opvolgde als paltsgraaf aan de Rijn, annexeerde keizer Karel IV een deel van de Opper-Palts en werd het als Nieuw-Bohemen toegevoegd aan de gebieden van het huis Luxemburg. Nadat Ruprecht in 1376 Karels zoon Wenceslaus tot Rooms-Duits koning had verkozen, kreeg hij van keizer Karel IV hoge betalingen en grote gebieden toegewezen, waaronder Oppenheim, Nierstein, Ingelheim en een deel van Bolanden. Bovendien verwierf hij in 1357 de stad Kaiserslautern en had hij tot aan zijn dood het bezit over het vrijwel volledige graafschap Zweibrücken. Bij de Gouden Bul van 1356 kreeg Ruprecht de rang van keurvorst toegewezen, waardoor hij het officiële kiesrecht voor de verkiezing van de Rooms-Duitse koning kreeg. Ook was hij vanaf 1379 lid van de Urbanusbond, een vereniging van vier Rijnse keurvorsten die de belangen van paus Urbanus VI vertegenwoordigden, maar die ook als de versterking van hun macht diende.

Hoewel hij geen enkele hogeschool had bezocht, was Ruprecht toch goed opgeleid en had hij een grote religieuze interesse. In 1356 stichtte hij de Stiftkerk van Neustadt, die als familiegraf voor de keurvorsten van de Palts diende. Ook had Ruprecht een Joodse lijfarts die hij zeer waardeerde, waardoor hij Joden in zijn gebieden bescherming voor vervolging bood en hen vrijwillig asiel verleende. Op 1 oktober 1386 stichtte Ruprecht de Ruprecht-Karls-universiteit in Heidelberg.

In februari 1390 stierf Ruprecht op 80-jarige leeftijd, waarna hij werd bijgezet in de Stiftkerk van Neustadt. Omdat hij geen nakomelingen had, werd hij opgevolgd door zijn neef Ruprecht II.

Huwelijken[bewerken]

In 1350 huwde Ruprecht met zijn eerste echtgenote Elisabeth (1329-1382), dochter van graaf Jan I van Namen. Het huwelijk bleef kinderloos.

In 1385 huwde hij met zijn tweede echtgenote Beatrix (1360-1395), dochter van hertog Willem II van Berg. Dit huwelijk bleef ook kinderloos.