Slag in de Filipijnenzee

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Ga naar: navigatie, zoeken
Japanse schepen worden aangevallen.

De slag in de Filipijnenzee was de grootste zeeslag tijdens de Tweede Wereldoorlog tussen vliegdekschepen[1] van de Verenigde Staten van Amerika en Japan. Deze zeeslag vond plaats op 19 en 20 juni 1944 in de Filipijnenzee.

Aanleiding[bewerken]

De Marianen zijn een eilandengroep in het westen van de Stille Oceaan en ten zuiden van Japan. Er zijn maar zes van deze eilanden bewoond waaronder het grootste eiland Saipan. De Filipijnse eilanden liggen tussen de Stille Oceaan en de Zuid-Chinese Zee verspreid rond het eiland Luzon. In 1898 scheidden deze eilanden zich af van Spanje, en werden tijdelijk een kolonie van de Verenigde Staten. In 1935 kregen ze zelfbestuur. Op 8 december 1941 bezette Japan deze eilanden.

De Amerikanen wilden deze eilanden heroveren om er vliegbasissen te kunnen aanleggen voor hun luchtmacht en moesten hierbij gebruikmaken van amfibische oorlogvoering. Dit is een militaire operatie die zowel door land- , zee- als luchtstrijdkrachten wordt uitgevoerd. Het Amerikaanse US Marine Corps en het Amerikaanse leger zouden Tinian, Guam en Saipan gaan bezetten maar moesten hiervoor eerst luchtoverwicht zien te verkrijgen. Bij deze operatie werd er gebruikgemaakt van Grumman F6F Hellcat deklandingsvliegtuigen. De gezamenlijke landing van de Amerikaanse strijdkrachten werd succesvol uitgevoerd op het eiland Saipan op 15 juni 1944. Japan reageerde hierop door het bevel te geven om de hele Amerikaanse vloot die deze landing ondersteunde, te vernietigen.

Slag in de Filipijnenzee[bewerken]

Posities innemen[bewerken]

Amerika[bewerken]

Bij deze operatie voerde admiraal Raymond Spruance het bevel. Vice-admiraal Marc Mitscher leidde de slag. Er werden voor de kusten van Taiwan, de Filipijnen en de Marianen circa negentien onderzeeërs geplaatst. Daarbij werden er nog negen duikboten van de Amerikaanse zevende vloot ingezet ter versterking en vijftien vliegdekschepen naar de Marianen gestuurd. Deze groep vliegdekschepen bestond uit zes schepen van de Essex-categorie, 8 schepen van Independence-categorie en de USS Enterprise (CV-6). Deze schepen bevatten in totaal 479 Grumman F6F-3 Hellcat waarvan 27 Grumman F6F-3N nachtjagers van het Amerikaanse nachtjagers detachement VF(N), uitgerust met een AN/APS-6 radar. In dit detachement zaten er ook nog drie F4U Corsair nachtjagers.

Japan[bewerken]

Bij de Japanners voerde viceadmiraal Takeo Kurita het bevel tijdens deze operatie. Hun vloot bestond uit vier slagschepen, drie vliegdekschepen, vijf kruisers en acht torpedojagers. Er werden hiernaast nog twee extra eenheden ingezet.

Eenheid ‘A’ onder het bevel van viceadmiraal Jisaburo Ozawa bestond uit twaalf schepen: drie vliegdekschepen (de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku), drie kruisers en zes torpedojagers.

Bij eenheid ‘B’ voerde Schout-bij-Nacht Joshima het bevel. Deze eenheid bestond uit drie vliegdekschepen: de Junyo, de Hiyo en de Ryujo en ook nog een slagschip en een paar torpedojagers.

Eenheden 'A' en 'B' bevatten samen 440 jagers- en aanvalsvliegtuigen. Deze werden daarbij ondersteund door de 61ste Japanse luchtvloot, met 630 vliegtuigen.[bron?]

Slag op zee[bewerken]

De Zuikaku wordt aangevallen.

Terwijl de Japanners nog bezig waren met het samenstellen van hun vloot bracht de USS Harder (SS-257) al drie torpedojagers tot zinken voor de kust van Tawi Tawi (Filipijnen). De Amerikanen wonnen in snelheid door het gebruik van onderzeeërs. Toen de Japanse eenheid vertrok voor de slag werd dit eveneens gemeld door een observerende Amerikaanse duikboot. Door deze meldingen kreeg admiraal Spruance de tijd om Task Fors 58 (gelegen ten westen van de Marianen) gereed te maken om de landingsoperatie van de Amerikanen te dekken. Op 19 juni 1944 vielen de Japanners aan. Terwijl de Japanse luchtmacht hevige verliezen aan het lijden was, bracht de Amerikaanse onderzeeër USS Albacore (SS-218) het vliegdekschip Taiho tot zinken met driekwart van de bemanning nog aan boord en de Shokaku werd getorpedeerd en vervolgens ook tot zinken gebracht door de USS Cavalla. De volgende dag werd de Japanse vloot verrast bij het tanken en werden de Hiyo en twee tankers tot zinken gebracht. Drie vliegdekschepen waaronder de Zuikaku en een slagschip werden die dag beschadigd.

Slag in de lucht[bewerken]

Op 11 juni moesten de Amerikanen luchtoverwicht zien te verwerven door te jagen op vijandige toestellen. Task Force 58 (TF-58) haalde toen zeven Japanse verkenningsvliegtuigen uit de lucht waaronder een D4Y1-C Judy verkenningsbommenwerper.

Op 18 juni 1944 ontdekte viceadmiraal Ozawa door middel van verkenningsvliegtuigen de Amerikaanse vloot die zich voorbereidde op de landing van hun leger op Saipan. Ozawa zag af van een verrassingsaanval[2] uit vrees dat zijn piloten 's nachts niet konden landen op vliegdekschepen.

Gevechtsvliegtuigsporen in de lucht boven TF-58 op 19 juni 1944.

Ozawa viel op 19 juni 1944 aan in vier grote golven.

  1. De eerste aanvalsformatie of raid bestond uit 64 vliegtuigen die opstegen vanaf de Chitose, Chiyoda en Zuiho die kleinere vliegdekschepen waren. De Amerikanen zagen hen op de radar en stuurden 74 jachtvliegtuigen uit acht verschillende squadrons in de lucht, die 42 Japanse vliegtuigen uit de lucht schoten.[3] De Japanners slaagden er wel in om de USS Dakota te raken met een bom.
  2. Ongeveer een uur nadat de eerste aanvalsformatie werd geregistreerd op de Amerikaanse radar kwam de tweede golf er aan. Deze was de grootste opgezette aanval van de dag met 109 vluchten vanaf de Taiho, de Shokaku en de Zuikaku die geconfronteerd werden met 162 Grumman F6F Hellcats. De Japanners zijn tot bij drie Amerikaanse vlooteenheden geraakt en konden hiervan een slagschip en vier vliegdekschepen aanvallen maar brachten slechts minimale schade toe. De Japanners verloren 97 vliegtuigen.
  3. Bij de derde raid vertrokken er 47 vliegtuigen van de Junyo, de Hiyo en de Ryujo maar deze raid had weinig effect. De Japanners waren al snel binnen het bereik van de Amerikanen. Van de 47 vliegtuigen bleven er slechts zestien Mitsubishi A6M Zero’s over. Zestien Hellcats vielen deze aan. Er werden zeven Zero’s neergehaald en geen enkele Hellcat.
  4. De vierde aanvalsformatie was een onderneming van de eerste en tweede vliegdekschependivisie en zond 82 vliegtuigen uit. 64 hiervan bereikten het doelgebied en werden vervolgens nog verder verspreid door ondoeltreffende aanvallen of landingspogingen op Guam. Er werden minstens 30 Japanse vliegtuigen neergehaald en 29 werden op de grond vernietigd.

Tijdens de tweede golf van aanvallen van de Japanners werd de Taiho geraakt door een torpedo en tot zinken gebracht.[4] Dit was het schip van Ozawa, die nog tijdig kon ontsnappen. Ozawa verloor die dag 400 piloten en twee belangrijke vliegdekschepen. Hij wist zich twee dagen onzichtbaar te houden voor de Amerikaanse radar, wat hem genoeg tijd gaf om zijn schepen te hergroeperen. Op 21 Juni werd de Japanse vloot ontdekt door een Amerikaans verkenningsvliegtuig[5] en viceadmiraal Mitscher zond er 216 vliegtuigen op af. Boven elke groep vliegdekschepen en hun tankers, braken er luchtgevechten uit. Het vliegdekschip Hiyo werd vernietigd en de Chiyoda, de Haruma en de Zuikaku werden beschadigd.[6] Toen Ozawa Okinawa bereikte, had hij 35 vliegtuigen over.

Bijnaam[bewerken]

De slag in de Filipijnenzee werd door de Amerikaanse piloten The Great Marianas Turkey Shoot "De grote kalkoenenschieting in de Marianen" genoemd wegens de enorme verliezen bij de Japanse lucht- en zeemacht. Deze hevige verliezen werden veroorzaakt door de Amerikaanse piloten en het Amerikaanse luchtafweergeschut.

De slag in de Filipijnenzee maakte deel uit van een grotere operatie. Deze operatie werd door de Amerikaanse planners, die de invasie op de eilanden bedacht hadden, Operatie Forager genoemd.

Nederlaag voor Japan[bewerken]

De Japanners verloren ongeveer 500 vliegtuigen die op de grond gestationeerd waren en 250 vliegtuigen in de lucht. De vliegdekschepen Shokaku, Taiho, Hiyo en twee ondersteunende tankers werden tot zinken gebracht. Vliegdekschip Zuikaku werd zwaar beschadigd. Vliegdekschepen Junyo, de Chiyoda, slagschip Haruna, de kruiser Maya en de torpedobootjager Shigure werden minder erg beschadigd.

Verliezen Amerika[bewerken]

De Turkey Shoot was voor de Amerikanen een succes zowel op technologisch vlak, als wat de training betreft. Desondanks hebben de Amerikanen bij deze slag toch een aantal verliezen geleden. Maar uiteindelijk konden ze dankzij hun suprematie in de lucht boven de Marianen toch de overwinning behalen. Amerika verloor in totaal ongeveer 130 vliegtuigen, waaronder ook vliegtuigen die niet tijdens het vechten verloren gingen. De USS South Dakota werd middelmatig beschadigd.

Herdenking slachtoffers[bewerken]

The Court of Honor in American Memorial Park.

De Amerikanen hebben op 18 augustus 1978 op het eiland Saipan American Memorial Park opgericht. Hier worden alle slachtoffers van de hele Marianas campagne herdacht, zowel de gevallen soldaten als de burgers van de eilanden waarop er gevochten werd. Het museum over de Tweede Wereldoorlog legt vooral de nadruk op de Marianas Campagne. Dit wordt duidelijk doordat er in de inkomhal een opvallend portret ophangt van zowel de Amerikaanse president Franklin D. Roosevelt als de Japanse keizer Hirohito. Zij regeerden op het moment dat de campagne plaatsvond. Tussen deze twee portretten bevindt zich een aandenken aan de slachtoffers bij de plaatselijke bevolking van de Marianas. Er is in het park ook een monument opgericht waarop voor het 50ste jubileum van de invasie van Saipan de namen van de 5204 slachtoffers werden gebeiteld.