Naar inhoud springen

Tairona

Uit Wikipedia, de vrije encyclopedie
Voor het geslacht van krekels zie Tairona (geslacht).
Het gebied van de Tairona
Tairona hanger, voorstellende een sjamaan met 2 scepters en een hoofdversiering met 2 toekans.
Tairona neusversiering
De Verloren Stad in de Sierra Nevada de Santa Marta, Colombia

De Tairona is de naam die wordt gegeven aan de precolumbiaanse, Chibcha-sprekende beschavingen die het noordwestelijke deel van de Sierra Nevada de Santa Marta bewoonden in het huidige Colombia, ruwweg van 200 n.Chr. tot de Spaanse verovering in de zestiende eeuw.

Chibcha-sprekende volkeren waren verspreid over een gebied van oostelijk Honduras tot westelijk Venezuela, met een concentratie in het Isthmo-Colombiaans gebied (Costa Rica, Panama, noordelijk Colombia). Over het oorspronkelijke thuisgebied en de migratierichtingen bestaat nog geen wetenschappelijke consensus: sommige onderzoekers plaatsen de bakermat in Midden-Amerika, anderen in het Zuid-Amerikaanse laagland.[1] Deze volkeren bereikten een hoge graad van economische en politieke ontwikkeling. Toen de Europeanen rond 1500 begonnen door te dringen in Zuid-Amerika waren de Chibcha-sprekende volkeren de meest prominente bevolkingsgroepen in Colombia. Zij waren onderverdeeld in de Muisca, de Tairona en nog enkele kleinere groepen.

In de Tairona-beschaving worden twee periodes onderscheiden: de Nahuange-periode van 200 tot 900 n.Chr., en de Tairona-periode van 900 tot 1600 n.Chr.

Nahuange-periode

[bewerken | brontekst bewerken]

De vroegste gemeenschappen vestigden zich langs de kust van de noordelijke en westelijke hellingen van de Sierra Nevada de Santa Marta, waar zij gebruik maakten van een breed scala aan hulpbronnen: vis, schelpdieren, wild en landbouwproducten zoals maïs. Zij waren bekwame goudsmeden en ambachtslieden in schelp en halfedelstenen. De Nahuange-periode is vooral bekend om de voor deze periode kenmerkende goudsmeedkunst: sieraden en borstplaten, gesmeed uit tumbaga, een legering van koper en goud. De oppervlakken zijn sterk gepolijst, dikwijls met opvallende roodachtige tinten. Typische motieven zijn punten, cirkels, driehoeken, gestileerde dieren en tweekoppige slangen. De periode werd voor het eerst geïdentificeerd bij opgravingen in 1922 door de archeoloog Alden Mason in de baai van Nahuange, waar een stenen graf werd gevonden met objecten die nu in het Field Museum in Chicago worden bewaard.

Tairona-periode

[bewerken | brontekst bewerken]

Rond 900 n.Chr. breidden bevolkingsgroepen zich uit naar de bergachtige binnenlanden, waar goed georganiseerde nederzettingen ontstonden die via stenen wegen met elkaar verbonden waren. Bonda en Pocigüeica waren zelfs zo groot dat van steden gesproken kon worden. Op terrassen langs de hellingen verbouwden zij maïs, cassave en avocado. Archeologische vondsten tonen het gebruik van terrassen, steunmuren, afwateringskanalen, wegen, trappen en funderingen aan. Meer dan 200 nederzettingen zijn inmiddels teruggevonden. Een belangrijk archeologisch bewijs van het hoge ontwikkelingsniveau van de Tairona was de vondst van de 'Verloren Stad' in de Sierra Nevada de Santa Marta. Tairona waren bovendien kundige wevers en pottenbakkers, en hun goudbewerking kenmerkte zich door het gebruik van gietwerk van tumbaga, een koper- en goudlegering, met ingewikkelde versieringen. Kroniekschrijvers als Gonzalo Fernández de Oviedo (1514), Fray Pedro Simón en Fray Pedro de Aguado (1573) beschreven de rijkdom en verfijning van deze samenleving met bewondering.

In tegenstelling tot de Muisca, bij wie gouden ornamenten uitsluitend een religieuze functie hadden, gebruikten de Tairona ze als sieraad om hiërarchische verschillen duidelijk te maken. Typerende emblemen van de Tairona waren vogels met open vleugels, krokodillen en slangen, en bovenal de vleermuis, een thema dat vaak in borstplaten en hangers werd uitgebeeld. De Taironagemeenschap werd geleid door een machtige elite van sjamanen die verantwoordelijk waren voor het spirituele en materiële welzijn van de onderdanen. Sjamanen werden geacht te kunnen veranderen in verschillende wezens, zoals de vleermuis. Deze zogenaamde transformaties vonden plaats onder invloed van psychedelische middelen, rituele dansen, vasten en andere sjamanistische ontberingen.

Het verval van de cultuur begon met de komst van de Spanjaarden. In het begin werd er tussen de Spanjaarden en de Tairona gehandeld, maar de Spanjaarden verlangden goud en arbeid en de eisen werden in de loop der tijd steeds zwaarder. Verzet ontstond vooral doordat de Spanjaarden het katholieke geloof aan de indianen oplegden. In 1600 werd het laatste verzet van de Tairona gebroken. Nadat het meeste goud geroofd was, verloren de Spanjaarden belangstelling in het gebied. De Kogi-, Arhuaco-, Wiwa- en Kankuamo-indianen, die nu nog in het gebied leven, worden gezien als de afstammelingen van de Tairona, maar de hoogstaande cultuur van voor 1500 is verloren gegaan.

[bewerken | brontekst bewerken]
Zie de categorie Tayronas van Wikimedia Commons voor mediabestanden over dit onderwerp.